ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0007

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
4 juli 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07/742 PARKBL
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening parkeerbelastingen 1992 gemeente Den HaagParkeerverordening 1992 gemeente Den HaagAfdeling 8.2.6 Algemene wet bestuursrechtHR 17 februari 1997, LJN AA3336, BNB 1998/46
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht opgelegd bij ontbreken geldige vergunning

Eiser parkeerde op 21 december 2006 zijn voertuig op een locatie in Den Haag waar betaald parkeren geldt. Tijdens controle bleek geen geldige parkeervergunning of parkeerkaart zichtbaar in het voertuig aanwezig te zijn. Eiser voerde aan dat hij schriftelijke toestemming had van de supermarkt voor het gebruik van de parkeerplaats en overhandigde een parkeervergunning met ingangsdatum 1 oktober 2006.

Verweerder stelde dat de vergunning niet zichtbaar was aangebracht en dat de vergunning op dezelfde dag als de naheffingsaanslag was afgegeven, waardoor eiser zonder geldige vergunning parkeerde. De rechtbank oordeelde dat eiser zijn voertuig daadwerkelijk had geparkeerd en dat privaatrechtelijke toestemming van de supermarkt geen vrijstelling gaf van de parkeerbelasting.

De rechtbank stelde vast dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat de vergunning op het moment van de naheffingsaanslag zichtbaar achter de voorruit was aangebracht. Op grond van vaste jurisprudentie is dan geen sprake van vergunningparkeren. Daarom was de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd wegens het ontbreken van een zichtbare geldige vergunning.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 07/742 PARKBL
Uitspraakdatum: 4 juli 2007
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[eiser], wonende te Den Haag, eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 9 januari 2007 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting (aanslagnummer 35517).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2007. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [A] en [B].
1. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2. Gronden
2.1. Op 21 december 2006 omstreeks 14.27 uur stond de auto van eiser, met het kenteken [kentekennummer], geparkeerd op de [adres] tegenover perceel nr. [nummer] te Den Haag. Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag aangewezen als een plaats waar, voor zover thans van belang, van maandag tot en met vrijdag van 09.00 uur tot 17.00 uur tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. De gebiedscode voor een bewonersvergunning is nummer 37.
2.2. Tijdens een controle op voormelde datum omstreeks voormelde tijd heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat er in de auto van eiser geen geldige vergunning of parkeerkaart aanwezig was. Naar aanleiding hiervan is aan eiser een naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 48,50 bestaande uit € 1,50 aan belasting en € 47 aan kosten. Bij de bestreden uitspraak heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen deze naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
2.3. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht aan eiser is opgelegd.
2.4. Eiser stelt dat de naheffingsaanslag niet terecht is opgelegd. Eiser stelt ter zitting dat de parkeerplaats eigendom is van de aldaar gelegen supermarkt [A] (hierna: de supermarkt) en dat hij van de supermarkt schriftelijke toestemming heeft om de parkeerplaats te gebruiken. Eiser overlegt tevens (een kopie van) zijn voor de betreffende locatie geldige parkeervergunning, waarvan de ingangsdatum, 1 oktober 2006, is gelegen voordat onderhavige naheffingsaanslag is opgelegd.
2.5. Verweerder heeft het standpunt van eiser gemotiveerd weersproken. Verweerder stelt onder meer dat de parkeercontroleur niet een op de voorgeschreven wijze in het voertuig gelegen geldige parkeervergunning heeft waargenomen. Eiser moet geacht worden zonder vergunning te hebben geparkeerd. Verweerder stelt dat de parkeervergunning met ingangsdatum 1 oktober 2006 aan eiser is afgegeven op dezelfde dag als die waarop de naheffingsaanslag is opgelegd.
2.6. Op grond van het bepaalde in de Verordening parkeerbelastingen 1992 van de gemeente Den Haag wordt onder parkeren, voor zover thans van belang, verstaan het laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen danwel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten.
Ingevolge het bepaalde in de Parkeerverordening 1992 van de gemeente Den Haag en de de door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag gestelde voorwaarden is aan een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig de voorwaarde verbonden dat die vergunning met de daartoe bestemde zijde duidelijk leesbaar direct achter de voorruit van het voertuig is aangebracht. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer HR 17 februari 1997, LJN AA3336, BNB 1998/46) is er geen sprake van parkeren met een vergunning indien niet aan de aan die vergunning verbonden voorwaarden is voldaan.
2.7. De rechtbank overweegt dat gesteld noch gebleken is dat eiser op het betreffende tijdstip hij bezig was goederen onmiddellijk te laden of te lossen of dat personen onmiddellijk in- en uitstapten. Voorts is gesteld noch gebleken dat de betreffende plaats niet een voor het openbaar verkeer openstaand weggedeelte betreft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser zijn voertuig heeft geparkeerd als bedoeld in de Verordening parkeerbelastingen 1992, zodat eiser terzake daarvan parkeerbelasting verschuldigd was. De door eiser gestelde privaatrechtelijke toestemming van de supermarkt om de parkeerplaats te gebruiken, ontslaat eiser niet van zijn publiekrechtelijke verplichting de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen door middel van, kort gezegd, een parkeerkaartje of een zichtbare geldige vergunning. Niet in geschil is dat eiser bij het parkeren geen gebruik heeft gemaakt van een parkeerkaartje.
2.8. Voorts overweegt de rechtbank dat eiser niet gesteld of aannemelijk gemaakt heeft dat hij de achteraf getoonde, geldige vergunning op 21 december 2006 heeft opgehaald voordat de onderhavige naheffingsaanslag werd opgelegd. De vraag of eiser, zoals hij ter zitting stelt, aan de balie bij degene die het bezwaarschrift voor eiser invulde niet had gezegd dat hij een verlopen vergunning achter de voorruit had geplaatst, kan dan ook in het midden blijven. Aldus is aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag geen voor die locatie en op dat moment geldige parkeervergunning van buitenaf duidelijk leesbaar direct achter de voorruit van het voertuig was aangebracht. Onder verwijzing naar de aangehaalde jurisprudentie is de rechtbank dan ook van oordeel dat er geen sprake was van vergunningparkeren ter zake waarvan de verschuldigde belasting was voldaan, zodat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
2.9. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.
2.10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 4 juli 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. M.A. Dirks, in tegenwoordigheid van mr. F. Mulder, griffier.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.