ECLI:NL:RBSGR:2007:BB1335
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen ongewenstverklaring met nadruk op zorgvuldige belangenafweging en gezinssituatie
Verzoeker is op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 ongewenst verklaard vanwege zijn strafrechtelijke verleden. Hij maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring werden niet geschorst, waardoor uitzetting mogelijk bleef. Verzoeker, die in vreemdelingenbewaring verblijft, stelde dat zijn gezinssituatie ernstig is verslechterd en dat zijn aanwezigheid noodzakelijk is om het welzijn van zijn kinderen te waarborgen. De Raad voor de Kinderbescherming rapporteerde over de uithuisplaatsing van de kinderen vanwege psychiatrische problemen van de echtgenote.
De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd was de ongewenstverklaring uit te spreken, maar dat bij de belangenafweging onvoldoende rekening was gehouden met gewijzigde leefomstandigheden van verzoeker, het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Azerbeidzjan, en de gezinssituatie. De voorzieningenrechter stelde vast dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en dat onverwijlde spoed vereist dat de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring geschorst worden.
Daarom werd een verbod op uitzetting uitgesproken tot vier weken na beslissing op bezwaar en de strafrechtelijke gevolgen van het besluit geschorst tot diezelfde termijn. Tevens werden verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging en het horen van verzoeker voordat een definitief besluit wordt genomen.
Uitkomst: De rechtbank schorst de strafrechtelijke gevolgen van de ongewenstverklaring en verbiedt uitzetting tot vier weken na beslissing op bezwaar.