ECLI:NL:RBSGR:2007:BB1889
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Weigering drank- en horecavergunning wegens slecht levensgedrag volgens Drank- en Horecawet
Verzoeker vroeg een vergunning ex artikel 3 van Pro de Drank- en Horecawet (DHW) aan voor het exploiteren van een horecabedrijf. Verweerder wees deze aanvraag af op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de DHW, omdat verzoeker niet voldeed aan de eis van goed levensgedrag. Dit was gebaseerd op eerdere onherroepelijke veroordelingen van verzoeker voor overtredingen van de DHW en de Wegenverkeerswet.
Verzoeker maakte bezwaar en vroeg een voorlopige voorziening, stellende dat de vergunning ten onrechte was geweigerd en dat de opgelegde boetes onterecht waren samengevoegd. De voorzieningenrechter oordeelde dat het imperatieve karakter van artikel 27 DHW Pro geen ruimte biedt voor belangenafweging of beoordeling van evenredigheid zoals verzoeker bepleitte.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de veroordelingen onherroepelijk waren en dat de weigering van de vergunning terecht was. De procedurefouten in datums konden worden hersteld en boden geen grond voor toewijzing van het verzoek. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de drank- en horecavergunning wordt afgewezen.