ECLI:NL:RBSGR:2007:BB1970
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet tijdig beslissen op aanvraag verblijfsvergunning asiel in samenhang met generaal pardon regeling
Eiser heeft op 9 januari 2001 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag werd aanvankelijk op 18 september 2001 afgewezen, maar dit besluit werd op 18 juni 2004 door de rechtbank vernietigd met opdracht tot een nieuw besluit. Verweerder wees de aanvraag opnieuw af op 15 februari 2006, maar trok dit besluit op 3 mei 2007 in. Eiser trok daarop het beroep in en stelde op 31 mei 2007 een nieuw beroep in tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag.
Verweerder bood eiser op 31 juli 2007 een verblijfsvergunning aan in het kader van de regeling ter afwikkeling van de nalatenschap van de oude vreemdelingenwet (WBV 2007/11). De rechtbank oordeelt dat verweerder niet verplicht is te beslissen over de asielaanvraag zolang dit aanbod van kracht is en niet door eiser is afgewezen. Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond wegens schending van de beslistermijn, maar stelt een termijn van zes weken nadat eiser het aanbod afwijst of het verloopt, waarbinnen verweerder moet beslissen.
De rechtbank wijst het verzoek tot oplegging van een dwangsom af en veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van €80,50. De uitspraak werd gedaan door mr. A.W.M. van Hoof op 15 augustus 2007 in het openbaar.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder moet binnen zes weken na afwijzing of afloop van het generaal pardon aanbod een besluit nemen.