ECLI:NL:RBSGR:2007:BB2756
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- J.M. Janse van Mantgem
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid en rechtmatigheid van besluit vreemdelingenzaken en afwijzing asielaanvraag
Verzoeker, een Nigeriaanse alleenstaande minderjarige vreemdeling, diende op 10 juni 2007 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 14 juni 2007 werd afgewezen. Tevens werd ambtshalve een AMV-vergunning geweigerd. Verzoeker stelde in beroep dat het besluit niet door het bevoegde orgaan was genomen en voerde inhoudelijke bezwaren aan tegen de afwijzing.
De voorzieningenrechter onderzocht of het besluit rechtsgeldig was genomen. Het bleek dat het besluit was ondertekend door een senior medewerker namens het hoofd van de IND en namens de minister van Justitie, terwijl volgens de geldende mandaatregelingen de ondertekening namens de staatssecretaris van Justitie had moeten plaatsvinden. Dit gebrek werd echter gepasseerd omdat verzoeker niet aannemelijk had gemaakt dat hij daardoor in zijn belangen was geschaad.
Inhoudelijk oordeelde de rechtbank dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij afkomstig was uit de opgegeven plaats en dat zijn relaas onvoldoende werd onderbouwd met authentieke documenten. Ook werd het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel verworpen omdat verzoeker tijdens de hoorzittingen expliciet had bevestigd de tolk te hebben begrepen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.