ECLI:NL:RBSGR:2007:BB5101
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- C. van Linschoten
- A.W.M. van Hoof
- drs. G.A. van der Straaten
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vordering tot opheffing of vermindering van dwangsommen bij trage besluitvorming asielaanvragen
Betrokkenen dienden op 10 juni 2004 asielaanvragen in die niet tijdig werden beslist. De rechtbank verklaarde beroepen tegen het uitblijven van besluiten gegrond en legde een dwangsom op voor elke dag dat de beslistermijn werd overschreden. De Staat stelde vervolgens een vordering in tot opheffing of vermindering van deze dwangsommen, stellende dat bij afwijzing eerst een voornemen moet worden uitgebracht en een zienswijze moet worden afgewacht, waardoor binnen vier weken niet kon worden beslist.
De rechtbank oordeelde dat het instrument van de dwangsom bedoeld is om voortvarende besluitvorming te bevorderen en niet als sanctie achteraf. In beginsel is het mogelijk binnen vier weken een zorgvuldige beslissing te nemen. De rechtbank volgde de Staat echter deels door de periode van vijf dagen die betrokkenen nodig hadden om een zienswijze uit te brengen buiten beschouwing te laten bij de berekening van de overschrijding.
De rechtbank stelde vast dat er twee afzonderlijke besluiten betroffen en dat per besluit € 250,- per dag aan dwangsom verschuldigd was. Na verrekening van de zienswijzetermijn werd vastgesteld dat over 28 dagen dwangsommen verbeurd waren, wat resulteerde in een bedrag van € 7.000,- per betrokkene. De vordering tot opheffing werd afgewezen, de subsidiaire vordering tot vermindering werd toegewezen en de Staat werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot opheffing van de dwangsommen af, maar vermindert de dwangsommen met vijf dagen vanwege de termijn voor het uitbrengen van een zienswijze.