ECLI:NL:RBSGR:2007:BB6247
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- A.W. Oosterman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit ongewenstverklaring en intrekking verblijfsvergunning wegens onvoldoende motivering
Eiser is door verweerder ongewenst verklaard en zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is ingetrokken op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, vanwege een onherroepelijke veroordeling tot een gevangenisstraf van twaalf maanden. Eiser voerde aan dat zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn langdurige verblijf in Nederland, gezinsleven en psychische klachten, onvoldoende zijn meegewogen in het besluit. De rechtbank oordeelt dat hoewel verweerder de intrekking van de vergunning op juiste gronden baseerde, de motivering van de ongewenstverklaring tekortschiet. De persoonlijke belangen van eiser zijn wel beoordeeld in het kader van artikel 4:84 Awb Pro, maar niet in samenhang met de belangenafweging die vereist is bij een ongewenstverklaring.
De rechtbank stelt vast dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangen van eiser niet opwegen tegen het algemeen belang van openbare orde. Verwijzing naar de glijdende schaal uit artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 is ontoereikend omdat deze een ander toetsingskader betreft. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met een deugdelijke belangenafweging. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de uitspraak in de hoofdzaak wordt gedaan.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van eiser. De rechtbank benadrukt dat de discretionaire bevoegdheid van verweerder terughoudend wordt getoetst, maar dat de motivering aan de wettelijke eisen moet voldoen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot ongewenstverklaring en intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.