ECLI:NL:RBSGR:2007:BB8045
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- M.A.C. Prins
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na opheffing vreemdelingenbewaring
Verzoeker had een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke op 13 oktober 2005 werd afgewezen door verweerder. Hiertegen stelde verzoeker tijdig beroep in. Tijdens de procedure verbleef verzoeker van 14 september 2006 tot en met 8 augustus 2007 in vreemdelingenbewaring. Verweerder stelde aanvankelijk dat het beroep geen schorsende werking had vanwege de bewaring.
Na opheffing van de vreemdelingenbewaring gaf verweerder aan dat de schorsende werking van het beroep herleefde, omdat artikel 82, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 alleen geldt zolang de vrijheid ontnomen is. Verzoeker verzocht om een voorlopige voorziening om de rechtsgevolgen van het afwijzende besluit op te schorten en een verbod op uitzetting te realiseren.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het standpunt van verweerder rechtens juist was en dat verzoeker daardoor geen belang had bij het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek werd afgewezen. Wel werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €644,- die verzoeker redelijkerwijs had moeten maken in verband met de behandeling van het verzoek.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep geen schorsende werking had tijdens vreemdelingenbewaring.