ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9330

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
31 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07/21394
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.M. Janse van Mantgem
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 AwbArt. 16 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening mvv-vrijstelling op grond van gezondheidssituatie toegewezen

Verzoekster, van Sri Lankaanse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel medische behandeling. Verweerder wees deze aanvraag af omdat verzoekster niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Het Bureau Medische Advisering (BMA) concludeerde dat verzoekster niet in staat was te reizen op het moment van het besluit, maar dat reizen mogelijk zou zijn na een beoordeling vlak voor vertrek.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder zich bij de beoordeling van de mvv-vrijstelling moest richten naar de gezondheidssituatie ten tijde van het besluit. Omdat verzoekster toen niet kon reizen, was het besluit niet deugdelijk gemotiveerd en kon het niet in stand blijven. De voorlopige voorziening werd daarom toegewezen en verweerder werd verboden verzoekster uit te zetten totdat op het bezwaar was beslist.

Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting van verzoekster wordt verboden totdat op het bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Nevenzittingsplaats Haarlem
zaaknummer: AWB 07/21394
uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 augustus 2007
in de zaak van:
[Eiseres],
geboren op [geboortedatum] 1962,
verzoekster,
mede namens haar minderjarige kinderen:
[kind 1],
geboren op [geboortedatum] 1990,
[kind 2] ,
geboren op [geboortedatum] 1992,
[kind 3] ,
geboren [geboortedatum] 1997,
allen van Sri Lankaanse nationaliteit,
gemachtigde: mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem,
tegen:
de staatssecretaris van Justitie,
verweerder.
1. Procesverloop
1.1 Verzoekster heeft op 12 januari 2006 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘medische behandeling’. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 16 mei 2007 afgewezen. Verzoekster heeft tegen het besluit op 22 mei 2007 bezwaar gemaakt.
1.2 Verzoekster heeft op 22 mei 2007 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten totdat verweerder op het bezwaar heeft beslist.
1.3 De rechtbank heeft met inachtneming van artikel 8:83, derde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat behandeling ter zitting achterwege kan blijven en het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1 Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Hierbij komt ook aan de orde de vraag of het bestreden besluit al dan niet rechtmatig is.
2.2 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.
2.3 Ingevolge artikel 17, eerste lid, onder c, Vw wordt de aanvraag niet afgewezen wegens het ontbreken van een mvv indien het gelet op de gezondheidssituatie van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen.
2.4 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoekster niet in het bezit is van een geldige mvv. Blijkens het rapport van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 20 april 2007 is verzoekster niet in staat te reizen, maar wordt reizen wel mogelijk geacht indien vlak voor vertrek een beoordeling plaats zal vinden en zij dan in staat wordt geacht te reizen. Om die reden wordt niet voldaan aan artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, Vw en wordt aan verzoekster het mvv-vereiste tegengeworpen. Voorts zijn geen omstandigheden aangevoerd die leiden tot een geslaagd beroep op artikel 3.71, vierde lid, Vb.
2.5 Verzoekster heeft hiertegen onder meer aangevoerd dat het BMA heeft geconcludeerd dat verzoekster niet kan reizen en dat zij om die reden vrijgesteld dient te worden van het mvv-vereiste. Dat in de toekomst bij daadwerkelijk vertrek wellicht zal blijken dat verzoekster wel kan reizen is thans onvoldoende grond voor afwijzing.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
2.6 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient verweerder zich bij de beoordeling of verzoekster in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, te richten naar de gezondheidssituatie van verzoekster zoals die is ten tijde van het nemen van het besluit omtrent vrijstelling. Nu verzoekster volgens het BMA-advies ten tijde van het bestreden besluit niet in staat was te reizen, heeft verweerder niet kunnen concluderen dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 17 eerste Pro lid, aanhef en onder c, Vw en verzoekster niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op deze grond.
2.7 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering en op basis van het het BMA-advies zoals dat thans is uitgebracht, zal het besluit niet in stand kunnen blijven. Het verzoek om voorlopige voorziening zal dan ook worden toegewezen als hierna bepaald.
2.8 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoekster heeft gemaakt en de rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 322,- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1).
2.9 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht vergoedt.
3. Beslissing
De voorzieningenrechter:
3.1 wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en verbiedt verweerder verzoekster uit te zetten totdat verweerder op het bezwaar heeft beslist;
3.2 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt de Staat der Nederlanden op € 322,- te betalen aan verzoekster;
3.3 draagt de Staat der Nederlanden op € 143,- te betalen aan verzoekster als vergoeding voor het betaalde griffierecht.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, en op 31 augustus 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Engelhart, griffier.
afschrift verzonden op:
Coll:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.