ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9343
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.W.S. de Groot
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum verblijfsvergunning bij aanvraag gezinshereniging
Eiseres heeft op 9 juni 2006 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij haar echtgenoot. De aanvraag werd aanvankelijk afgewezen vanwege het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Na bezwaar en aanvullingen werd de vergunning alsnog verleend met ingang van 15 december 2006.
Eiseres stelde beroep in tegen de ingangsdatum van de vergunning en vorderde dat deze zou ingaan op de datum van de aanvraag, 9 juni 2006. De rechtbank overwoog dat volgens artikel 26, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 de verblijfsvergunning wordt verleend vanaf de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond aan alle voorwaarden te voldoen, maar niet eerder dan de datum van ontvangst van de aanvraag.
De rechtbank constateerde dat eiseres niet alle noodzakelijke bewijsstukken bij de aanvraag had overgelegd, met name financiële documenten van haar echtgenoot. Verweerder had haar hierop gewezen en zij heeft deze stukken pas op 19 november 2006 ingediend. Daarom moest de vergunning met ingang van die datum worden verleend, niet eerder.
De rechtbank wees het beroep af en bevestigde dat het risico van het late aanleveren van bewijsstukken voor rekening van eiseres komt. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door rechter G.W.S. de Groot op 9 juli 2007.
Uitkomst: De verblijfsvergunning wordt toegekend met ingang van 19 november 2006, niet vanaf de datum van aanvraag 9 juni 2006.