ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9718
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot onmiddellijke plaatsing minderjarige in justitiële jeugdinrichting
In dit kort geding vorderen eisers, als wettelijk vertegenwoordigers van hun dochter, dat de Staat wordt verplicht hun dochter binnen twee dagen te plaatsen in een justitiële jeugdinrichting voor behandeling. De rechtbank overweegt dat hoewel het ongewenst is dat jeugdigen vanwege beperkte capaciteit moeten wachten, er geen wettelijke plicht bestaat om binnen een bepaalde termijn plaatsing te garanderen.
De rechtbank stelt vast dat de minderjarige reeds in een justitiële inrichting verblijft en een EMDR-therapie ondergaat, gericht op traumaverwerking, terwijl zij wacht op plaatsing in de aangewezen behandelinstelling. De wachttijd wordt als niet buitensporig lang beoordeeld, mede gelet op de belangen van andere jeugdigen op de wachtlijst.
De rechtbank oordeelt dat de Staat niet onrechtmatig handelt door niet tot onmiddellijke plaatsing over te gaan en dat er geen schending is van artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind. De vordering wordt afgewezen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot onmiddellijke plaatsing van de minderjarige in de behandelinstelling wordt afgewezen.