ECLI:NL:RBSGR:2007:BC0638
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. Gorter
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wegens onvoldoende motivering risico schending artikel 3 EVRM
Eiser, van Soedanese nationaliteit en lid van de Miri-substam van de Nuba, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De aanvraag werd aanvankelijk afgewezen omdat eiser niet langer dan drie jaar een vergunning op grond van de d-grond bezat toen het categoriaal beschermingsbeleid voor Soedan werd afgeschaft.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht had vastgesteld dat er bij het verlenen van de vergunning voor bepaalde tijd in 2003 geen andere gronden waren voor verlening en dat ook in 2006 geen nieuwe gronden bestonden. De verklaringen van eiser werden als ongeloofwaardig beoordeeld vanwege inconsistenties tussen verklaringen uit 2003 en 2006.
Naar aanleiding van de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Salah Sheekh vs. Nederland heropende de rechtbank het onderzoek. Verweerder had echter niet inhoudelijk gereageerd op de vraag of de beoordeling van het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro voldoende was gemotiveerd, mede gelet op documenten die eiser had overgelegd.
De rechtbank stelde vast dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd dat er geen risico bestond voor eiser als lid van de Miri bij terugkeer naar Soedan. De afwijzing was daarmee in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en droeg verweerder op binnen zes weken opnieuw te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wordt vernietigd met opdracht tot nieuwe beslissing.