ECLI:NL:RBSGR:2007:BC0662
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.C. Greeuw
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens risico eerwraak in Noord-Irak
Eiser, afkomstig uit Noord-Irak, vreesde bij terugkeer een reëel risico op eerwraak vanwege een relatie met een vrouw uit zijn geboortedorp. Hij vroeg asiel aan, maar de aanvraag werd afgewezen omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat bescherming bij de autoriteiten zinloos zou zijn.
De rechtbank overwoog dat de eerwraak niet valt onder de vervolgingsgronden van het Vluchtelingenverdrag en dat eiser geen documenten kon overleggen ter staving van zijn identiteit. Verweerder stelde dat eiser bescherming kon zoeken bij familie en Noord-Iraakse autoriteiten, die sinds 2002 wetgeving tegen eerwraak hadden aangepast.
De rechtbank volgde verweerder voor wat betreft oudere ambtsberichten, maar stelde dat het nieuwe ambtsbericht van april 2006 onduidelijkheid schept over de effectiviteit van bescherming voor mannelijke slachtoffers van eerwraak. Gezien deze onzekerheid kon verweerder niet aannemen dat het zinloos was om bescherming te vragen.
Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen veertien weken opnieuw te beslissen. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van €644.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd.