ECLI:NL:RBSGR:2007:BC2370
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Punt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzet tegen hoogte van griffierechten in civiele procedure
In deze civiele procedure heeft mr. [A] namens zijn cliënt bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het door de griffier van de rechtbank 's-Gravenhage in rekening gebrachte griffierecht. Het griffierecht was vastgesteld op € 3.345, terwijl mr. [A] meende dat een bedrag van € 248 passend was, omdat de primaire vordering van onbepaalde waarde zou zijn.
De rechtbank overwoog dat de Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ) voorschrijft dat het griffierecht wordt vastgesteld op het moment dat van eis wordt gediend en dat de hoogte ervan gerelateerd moet zijn aan het financiële belang van de zaak. Dit financiële belang moet worden bepaald aan de hand van hetgeen wordt gevorderd, inclusief eventuele subsidiaire vorderingen.
In deze zaak strekt de subsidiaire vordering tot betaling van € 147.983,83, wat het financiële belang bepaalt. De rechtbank oordeelde dat het griffierecht correct was vastgesteld op basis van dit bedrag. De aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad en eerdere rechtbankuitspraken veranderden hier niets aan. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het verzet tegen de hoogte van het griffierecht wordt ongegrond verklaard en het griffierecht is juist vastgesteld.