ECLI:NL:RBSGR:2007:BC3881
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Griekenland wegens schending non-refoulement
Verzoeker, een Iraakse asielzoeker, diende een asielaanvraag in Nederland in die werd afgewezen omdat Griekenland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling op grond van Verordening 343/2003. Verzoeker stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet zonder meer kan gelden omdat Griekenland zijn verdragsverplichtingen niet naleeft en hij zelf in Griekenland mishandeld is.
De voorzieningenrechter nam de verklaringen van verzoeker over mishandeling en detentie in Griekenland als juist aan en verwees naar diverse rapporten van onder meer UNHCR, Amnesty International en het Europese Parlement die ernstige tekortkomingen in de Griekse asielprocedure en schendingen van het non-refoulementbeginsel aantoonden. Ook de lopende inbreukprocedure van de Europese Commissie tegen Griekenland werd meegewogen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom het interstatelijk vertrouwensbeginsel zonder meer kon worden toegepast en dat het beroep van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. Daarom werd de voorlopige voorziening toegewezen en werd verweerder veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verbiedt uitzetting naar Griekenland wegens gegronde twijfel aan naleving van verdragsverplichtingen en wijst de voorlopige voorziening toe.