ECLI:NL:RBSGR:2007:BC5616
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen ongewenstverklaring vreemdeling
Verzoeker, van Somalische nationaliteit, is ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 wegens het vormen van een gevaar voor de openbare orde en het ontbreken van rechtmatig verblijf. Het besluit tot ongewenstverklaring volgde ruim twee jaar na het voornemen daartoe, waarop verzoeker betoogde dat hij in verband met het tijdsverloop een nieuwe zienswijze had moeten kunnen indienen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat hoewel tijdsverloop aanleiding kan zijn voor een nieuwe zienswijze, in deze zaak geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gebleken die dat vereisen. De door verzoeker overgelegde documenten dateren uit 2001 en hadden reeds bij de eerdere zienswijze ingebracht kunnen worden. Ook het aangevoerde categoriaal beschermingsbeleid voor Somalië wordt niet relevant geacht voor de ongewenstverklaring.
Verder is vastgesteld dat verzoeker meerdere strafbare feiten heeft gepleegd, waaronder een veroordeling tot gevangenisstraf wegens poging tot doodslag en een latere veroordeling wegens wederrechtelijk binnendringen. Verzoeker heeft geen legaal verblijf en heeft geen bezwaar tegen de ongewenstverklaring. Het beroep op schending van artikel 3 EVRM Pro faalt omdat het asielrelaas in eerdere procedures als ongeloofwaardig is beoordeeld en verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt tot een kwetsbare minderheid te behoren.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en veroordeelt partijen niet in proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit tot ongewenstverklaring wordt afgewezen.