ECLI:NL:RBSGR:2007:BD0904

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
20 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07/285 ZW
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbArt. 6:17 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens griffierechtcorrespondentie aan gemachtigde

Opposant had beroep ingesteld tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, maar de rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling van het griffierecht. Opposant had zich echter laten vertegenwoordigen door een gemachtigde die het beroepschrift had ingediend. De correspondentie over het griffierecht was uitsluitend aan opposant zelf gericht, die de Nederlandse taal niet machtig is.

Volgens artikel 8:24, eerste lid, juncto artikel 6:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient de rechtbank alle processtukken in ieder geval aan de gemachtigde te zenden. Dit was niet gebeurd, waardoor opposant niet in verzuim kon worden geacht voor de niet tijdige betaling van het griffierecht.

Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring werd daarom gegrond verklaard. De eerdere uitspraak vervalt en het onderzoek wordt voortgezet. Tevens werd het bestuursorgaan veroordeeld in de proceskosten van opposant, vastgesteld op €161,00, te betalen aan de griffier.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring wordt gegrond verklaard en het onderzoek wordt voortgezet.

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage
sector bestuursrecht
eerste afdeling, enkelvoudige kamer
Reg.nr. AWB 07/285 ZW
UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:55
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Uitspraak op het verzet van
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant.
Ontstaan en loop van het geding
Bij uitspraak van 26 april 2007 heeft de rechtbank het beroep van opposant tegen het besluit van de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 3 december 2006 niet-ontvankelijk verklaard.
Bij brief van 29 mei 2007 heeft opposant verzet gedaan tegen deze uitspraak.
Het verzet is behandeld ter zitting van 9 oktober 2007.
Motivering
Ingevolge artikel 8:55, eerste lid, Awb, heeft de verzetsmogelijkheid alleen betrekking op de vraag of de rechtbank terecht tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan. Verzet levert dus geen behandeling ten gronde van de hoofdzaak op (MvT, Parl. Gesch. Awb II, p. 452). Het gaat alleen om een beoordeling van de "kennelijkheid" van het door de rechtbank uitgesproken niet-ontvankelijkheid.
De rechtbank is gelet op de stukken en hetgeen opposant in verzet heeft aangevoerd van oordeel dat het beroep ten onrechte met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb niet-ontvankelijk is verklaard. Vastgesteld moet worden dat, terwijl het beroepschrift namens opposant door haar gemachtigde mr. I. de Vink is ingediend, de correspondentie met betrekking tot het verschuldigde griffierecht uitsluitend aan opposant is verzonden. Deze blijkt de Nederlandse taal niet machtig en heeft in verband daarmee zich juist laten vertegenwoordigen door een gemachtigde.
Ingevolge artikel 8:24, eerste lid van de Awb juncto artikel 6:17 van Pro de Awb is de rechtbank gehouden alle processtukken in ieder geval naar de gemachtigde te zenden. Dat is blijkens het voorgaande niet gebeurd. Hierin ziet de rechtbank aanleiding eiseres met betrekking tot de niet tijdige voldoening van het verschuldigde griffierecht niet in verzuim te achten. Het verzet is daarom gegrond. Dat betekent dat de uitspraak waartegen verzet is gedaan vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Het bestuursorgaan wordt in de door opposant gemaakte proceskosten in verzet veroordeeld. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 161,00 voor het indienen van het verzetschrift (0,5 punt x € 322,00) bij een zaak van gemiddeld gewicht (1). Omdat ten behoeve van opposant een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.
Beslissing
De rechtbank ’s-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
verklaart het verzet gegrond;
veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als rechtspersoon in de proceskosten ten bedrage van € 161,00, welke kosten aan de griffier dienen te worden vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.C.J.A. Huijgens en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2007, in tegenwoordigheid van de griffier mr. W. Goederee.