RECHTBANK 's-GRAVENHAGE
sector civiel recht - voorzieningenrechter
Vonnis in kort geding van 27 november 2007,
gewezen in de zaak met rolnummer KG 07/1053 van:
[eiser],
wonende te [woonplaats], België,
eiser,
procureur mr. W. Sluiter,
advocaat mr. C.P. Timmers te Middelharnis,
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),
zetelende te 's-Gravenhage,
gedaagde,
procureur mr. A.Th.M. ten Broeke.
Partijen worden hierna wederom ook '[eiser]' en 'de Staat' genoemd.
1. Het (verdere) verloop van de procedure
1.1. In het tussenvonnis van 17 september 2007 (hierna 'het tussenvonnis') in dit kort geding is aan de Staat een gebod opgelegd om zijn medewerking te verlenen aan een door [eiser] te bekostigen röntgenonderzoek naar de vraag of zich in het lichaam van de hierna wederom '[hond]' te noemen hond al dan niet een chip bevindt, welk onderzoek uitgevoerd diende te worden door een door partijen gezamenlijk aan te wijzen dierenarts. Verder is in dat vonnis onder meer een verbod aan de Staat opgelegd om [hond] te laten inslapen voordat (1) uit dat onderzoek gebleken zou zijn dat zich in [hond] géén chip zou bevinden, of (2) in dit kort geding een eindvonnis is gewezen.
1.2. Bij fax van 4 oktober 2007 heeft de advocaat van [eiser] meegedeeld dat, kort gezegd, gebleken is dat zich in [hond] wel degelijk een chip bevindt en dat [eiser] daarin aanleiding ziet zijn eis te vermeerderen met een vordering die strekt tot teruggave van [hond] aan [eiser] hangende de behandeling van het beroep in cassatie tegen het in het tussenvonnis genoemde arrest van 28 augustus 2007 (hierna 'de cassatieprocedure'). Bij fax van 5 oktober 2007 heeft de procureur van de Staat laten weten dat de Staat verweer wenst te voeren tegen de 'vermeerdering van eis'. Bij brief van 13 november 2007 heeft de procureur van de Staat nog enkele aanvullende producties in het geding gebracht.
1.3. Op de zitting van 20 november 2007 hebben partijen hun standpunten verder doen toelichten. [eiser] heeft zijn eis in de hiervoor bedoelde zin vermeerderd. Omdat de Staat ter zitting uitdrukkelijk heeft toegezegd dat hij [hond] gedurende de cassatieprocedure in leven zal laten, heeft [eiser] tevens zijn eis verminderd, in die zin dat hij zijn vordering heeft ingetrokken die ertoe strekte om de Staat te verbieden [hond] hangende het onderhavige cassatieberoep te vernietigen. Ook heeft de advocaat van [eiser] nog meegedeeld dat [eiser] 'al blij zou zijn' als [hond] zou worden ondergebracht in een asiel op het eiland [eiland], zodat [eiser] [hond] wekelijks zou kunnen bezoeken. De voorzieningenrechter heeft deze mededeling echter niet opgevat als een nadere wijziging van eis. De datum voor het wijzen van dit vonnis is bepaald op heden.
De in het tussenvonnis vermelde feiten gelden als hier overgenomen. Verder wordt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 20 november 2007 in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1. Het in het tussenvonnis bedoelde onderzoek door een door partijen gezamenlijk aan te wijzen dierenarts heeft niet plaatsgevonden. Wel is [hond] op 25
september 2007 (nogmaals) onderzocht door een schouwer van het Ministerie van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Daarbij is geconstateerd dat zich in [hond] wel degelijk een chip bevindt.
2.2. [hond] is dezelfde hond als de door [eiser] gekochte hond die in november of december 2002 strafrechtelijk in beslag is genomen en waar het om gaat in het vonnis van 22 juli 2003 van de politierechter te Rotterdam.
3. De gewijzigde eis, de gronden daarvoor en het verweer
3.1. Na zijn hiervoor onder 1.3 bedoelde vermeerdering en vermindering van eis (en voor zover op zijn vorderingen nog niet is beslist in het tussenvonnis), vordert [eiser] de Staat te veroordelen tot teruggave van [hond] aan hem, voor de duur van de cassatieprocedure.
3.2. Daartoe voert [eiser] - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aan.
Nu is komen vast te staan dat 'hond [hond] daadwerkelijk hond [hond] is', ziet [eiser] de cassatieprocedure met vertrouwen tegemoet. De cassatieprocedure zal echter geruime in beslag gaan nemen. Daarnaast vormt het langdurige verblijf van [hond] in een asiel geen goede basis voor een eventuele 'maatschappelijk aanvaardbaar gedragtest'. Voorts is het voor het gezin van [eiser] onverteerbaar dat [hond], zelfs nu zijn identiteit vaststaat en gelet op de in 2003 gevoerde procedures, nog altijd niet wordt teruggegeven.
3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De (verdere) beoordeling van het geschil
4.1. Zoals hiervoor onder 3.1 reeds is vastgesteld, is thans alleen nog de vordering van [eiser] aan de orde die strekt tot teruggave van [hond] aan hem voor de duur van de cassatieprocedure.
4.2. Als verweer tegen deze vordering, heeft de Staat allereerst aangevoerd dat [eiser] daarin niet kan worden ontvangen, omdat hij zich op grond van het bepaalde in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering schriftelijk kan beklagen bij de raadkamer van het gerechtshof 's-Gravenhage over het uitblijven van een last tot teruggave van [hond] aan hem.
4.3. Dit verweer slaagt. De door de Staat genoemde rechtsgang bij de raadkamer van het gerechtshof 's-Gravenhage is onmiskenbaar een met voldoende waarborgen omklede, specifieke rechtsgang. Bovendien is in dit kort geding niet gesteld of anderszins aannemelijk geworden dat die rechtsgang onredelijk veel tijd in beslag zou nemen c.q. zou hebben genomen, mede nu de Staat ter zitting juist heeft betoogd dat de advocaat-generaal in het Haagse ressortsparket zich bereid heeft getoond om een klaagschrift van [eiser] met voorrang te behandelen. [eiser] kan daarom niet worden ontvangen in zijn onderhavige vordering.
4.4. Dit leidt tot de conclusie dat [eiser] niet-ontvankelijk verklaard moet worden in zijn vordering die strekt tot teruggave van [hond] aan hem voor de duur van de cassatieprocedure. Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd - waaronder het betoog van de Staat omtrent de werking van het beginsel 'ne bis in idem' - kan thans dan ook buiten beschouwing blijven. De Staat zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Hierbij weegt met name mee dat (1) zich wel degelijk een chip in [hond] bevindt, anders dan de Staat aanvankelijk heeft betoogd, en (2) de Staat inmiddels wèl toegezegd heeft dat hij [hond] hangende de cassatieprocedure in leven zal laten, terwijl hij daartoe aanvankelijk juist niet bereid was.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering die strekt tot teruggave van [hond] aan hem voor de duur van de cassatieprocedure;
veroordeelt de Staat in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.545,85, waarvan € 1.224,-- aan salaris procureur, € 251,-- aan griffierecht en € 70,85 aan dagvaardingskosten;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 27 november 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.