ECLI:NL:RBSGR:2008:BC2422
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid vreemdelingenbewaring na ongewenstverklaring en intrekking verblijfsvergunning
Eiser, een Turkse onderdaan die meer dan twee jaar rechtmatig in Nederland verbleef, is ongewenst verklaard vanwege een veroordeling tot zes jaar gevangenisstraf voor medeplegen van moord. Tegen deze ongewenstverklaring en de intrekking van zijn verblijfsvergunning heeft hij bezwaar en beroep ingesteld, maar de bezwaarprocedure is momenteel weer in behandeling na vernietiging van de beslissing op bezwaar.
De rechtbank stelt vast dat de ongewenstverklaring ertoe leidt dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft, conform artikel 67, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De procedures die eiser voert, hebben geen schorsende werking en het Europees Vestigingsverdrag (EVV) of artikel 7.2 van het Vreemdelingenbesluit 2000 bieden geen verblijfsrechten die dit zouden veranderen.
De rechtbank oordeelt dat de inbewaringstelling van eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig is, gezien het ontbreken van rechtmatig verblijf, het ontbreken van identiteitsdocumenten, de veroordeling en de ongewenstverklaring. Tevens is voldoende aannemelijk dat eiser zich aan uitzetting zal onttrekken.
Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, omdat daartoe geen grond bestaat zolang de bewaring niet wordt opgeheven. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.