ECLI:NL:RBSGR:2008:BC3495
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening in verblijfsrechtelijke zaak op grond van het Associatiebesluit 1/80
Verzoekster, een Turkse onderdaan, heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking arbeid in loondienst op grond van het Associatiebesluit 1/80. Verweerder stelde dat verzoekster niet voldeed aan de vereiste van een jaar legale arbeid in het peiljaar, mede omdat werkzaamheden via uitzendbureaus niet als arbeid in de zin van artikel 6 van Pro het Associatiebesluit 1/80 werden beschouwd.
De voorzieningenrechter overweegt dat het ontbreken van een gezagsverhouding tussen uitzendbureau en verzoekster niet uitsluit dat er sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en daarmee één werkgever. Tevens wordt een ruime interpretatie van het begrip werkgever gevolgd, waarbij ook de facto werkgeverschap en opeenvolgende arbeid bij dezelfde inlener meetellen.
Verzoekster heeft gedurende meerdere jaren, met onderbrekingen, dezelfde arbeid verricht bij dezelfde inlener en is daarna bij deze in vaste dienst getreden. De rechter acht het belang van verzoekster bij de voorlopige voorziening zwaarder dan het belang van verweerder, mede vanwege het risico op ontslag en hoge boetes voor de werkgever.
Daarom wordt verweerder opgedragen uitzetting achterwege te laten en verzoekster te behandelen alsof zij in het bezit is van een verblijfsvergunning arbeid op grond van artikel 6 van Pro het Associatiebesluit 1/80 totdat op het bezwaarschrift is beslist.
Uitkomst: Verzoek tot voorlopige voorziening wordt toegewezen, uitzetting achterwege gelaten en verzoekster wordt behandeld alsof zij een verblijfsvergunning arbeid bezit.