ECLI:NL:RBSGR:2008:BC4101
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- M.A.C. Prins
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening voor Afghaanse Hazara op grond van artikel 15 onder c van de Definitierichtlijn
Verzoeker, afkomstig uit Afghanistan en behorend tot de Hazara-bevolkingsgroep, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder wees deze aanvraag af op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij werd geoordeeld dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een reëel risico liep op ernstige schade.
Verzoeker stelde zich op het standpunt dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn (Dri) bescherming biedt bij ernstige en individuele bedreiging als gevolg van willekeurig geweld in een gewapend conflict, en dat verweerder ten onrechte geen categoriaal beschermingsbeleid voert. De Afdeling bestuursrechtspraak had prejudiciële vragen gesteld over de uitleg van dit artikel, waardoor het oordeel over het bestaan van een gewapend conflict en de reikwijdte van de bescherming onzeker is.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de vraag of sprake is van een gewapend conflict dermate verstrekkend is dat deze niet geschikt is voor voorlopige beoordeling. Gezien de belangenafweging en de onzekerheid over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, werd de voorlopige voorziening toegewezen zodat verzoeker de bodemprocedure in Nederland kan afwachten.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op €644,- voor beroepsmatige rechtsbijstand. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen zodat verzoeker de bodemprocedure kan afwachten.