De vreemdeling stelde beroep in tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die op 31 januari 2007 was opgelegd en op 1 februari 2008 werd opgeheven. De rechtbank had op 25 januari 2008 al geoordeeld dat het voortduren van de bewaring onrechtmatig was en de maatregel moest worden opgeheven, maar de uitspraak werd pas op 1 februari 2008 aan partijen verzonden.
Hierdoor verbleef de vreemdeling gedurende zeven dagen onrechtmatig in bewaring, van de datum van de uitspraak tot de daadwerkelijke opheffing. De rechtbank oordeelde dat deze periode onrechtmatige bewaring opleverde en dat de vreemdeling recht heeft op een schadevergoeding op grond van artikel 106 VreemdelingenwetPro 2000.
De rechtbank besloot het beroep gegrond te verklaren, kende een schadevergoeding toe van €490,- (voor zeven dagen à €70,- per dag) en veroordeelde de Staatssecretaris van Justitie in de proceskosten van €322,-. De betaling van de schadevergoeding en de proceskosten dient via de griffier van de rechtbank te verlopen.
Uitkomst: De rechtbank kende een schadevergoeding toe voor zeven dagen onrechtmatige vreemdelingenbewaring.
Inzake : [A], V-nummer [V-nummer], hierna te noemen de vreemdeling, gemachtigde mr. H.A. Belfor, advocaat te Amsterdam,
tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
1. De vreemdeling, die heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1976 en de Egyptische nationaliteit te hebben, heeft op 5 februari 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is gericht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die verweerder bij besluit van 31 januari 2007 de vreemdeling heeft opgelegd en met ingang van 1 februari 2008 heeft opgeheven. In het beroepschrift is verzocht om schadevergoeding op de grond dat, in tegenstelling tot de uitspraak van deze rechtbank van 25 januari 2008, de vreemdeling eerst op genoemde datum van opheffing in vrijheid is gesteld en het voortduren van de maatregel na 25 januari 2008 onrechtmatig is.
2. Verweerder heeft de rechtbank en de gemachtigde van de vreemdeling bij faxbericht van 1 februari 2008 meegedeeld dat de opgelegde maatregel van bewaring met ingang van 1 februari 2008 is opgeheven.
3. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het beroep ter zitting te behandelen en heeft met toepassing van artikel 96, eerste lid, Vreemdelingenwet (Vw) 2000 bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij uitspraak van deze rechtbank van 25 januari 2008 is het door de vreemdeling op 8 januari 2008 ingestelde beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring gegrond verklaard en is de opheffing van de maatregel bevolen. Deze uitspraak, die is gedaan met toepassing van artikel 96, eerste lid, Vw 2000, is eerst op 1 februari 2008 aan partijen verzonden.
2. Gelet op de in genoemde uitspraak bevolen opheffing van de maatregel van bewaring, had een spoedige bekendmaking aan partijen voor de hand gelegen. Ten aanzien van deze uitspraak is echter een dergelijke, in het algemeen in dergelijke gevallen door de (griffie van de) rechtbank gehanteerde praktijk, achterwege gebleven.
3. Verweerder heeft, kennelijk op de dag van ontvangst van de door de rechtbank gewezen uitspraak van 25 januari 2008, de vreemdeling in vrijheid gesteld. Dit laat onverlet dat de vreemdeling aldus, vanaf de datum waarop bij voornoemde uitspraak de opheffing van de maatregel is bevolen tot aan de datum van de daadwerkelijke opheffing, onrechtmatig in bewaring heeft verbleven. Ingevolge artikel 106 VwPro 2000 kan de rechtbank in verband hiermee aan de veemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. Gelet op de hiervoor bedoelde periode van onrechtmatige voortduring van de maatregel van bewaring, zijnde zeven dagen, is er reden voor het toekennen van een schadevergoeding als bedoeld in artikel 106 VwPro 2000.
5. Het beroep, strekkende tot vergoeding van schade wegens onrechtmatige bewaring, is derhalve gegrond. Er is grond voor het toekennen van een schadevergoeding voor zeven dagen onrechtmatige bewaring.
6. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb), verweerder te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 322,-- (1 punt voor het beroepschrift; waarde per punt € 322,-- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.
III. BESLISSING
De rechtbank ’s-Gravenhage
RECHT DOENDE:
1. verklaart het beroep gegrond;
2. wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdeling een schadevergoeding toe, groot € 490,-- (7 x € 70,--) ten laste van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie), te betalen door de griffier van de rechtbank;
3. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te betalen.
Aldus gedaan door mr. M.M.F. Holtrop en uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2008, in tegenwoordigheid van mr. G.F. van der Linden-Burgers, griffier.
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.