ECLI:NL:RBSGR:2008:BC4913
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens schending spoedige behandeling artikel 5 lid 4 EVRM
Eiser, een Algerijnse vreemdeling, werd op 27 april 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld. Na meerdere ongegronde beroepen tegen de voortzetting van de bewaring, stelde eiser op 17 december 2007 opnieuw beroep in tegen het voortduren van de vrijheidsontneming en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank behandelde het beroep op 12 februari 2008, wat neerkomt op een termijn van 57 dagen tussen indiening en zitting. Dit werd beoordeeld aan de hand van artikel 5, vierde lid, EVRM, dat een spoedige beslissing vereist over de rechtmatigheid van vrijheidsontneming. De rechtbank oordeelde dat deze termijn niet spoedig was en dat de bewaring daarom onrechtmatig voortduurde.
Hoewel eiser ongewenst was verklaard en eerdere uitzettingspogingen had gefrustreerd, vond de rechtbank dat deze omstandigheden geen rechtvaardiging boden voor de termijnoverschrijding. De bewaring werd met onmiddellijke ingang opgeheven. Voor de periode van 16 januari tot en met 11 februari 2008 kwam in beginsel schadevergoeding toe, maar vanwege bijzondere omstandigheden matigde de rechtbank deze tot nihil.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten van €805,00 aan eiser. De uitspraak werd gedaan door rechter E.H.M. Druijf op 12 februari 2008.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet spoedig is beoordeeld, beveelt onmiddellijke opheffing en matigt schadevergoeding tot nihil.