ECLI:NL:RBSGR:2008:BC5121
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting asielzoeker uit Noord-Irak op grond van artikel 15c Definitierichtlijn
Verzoeker, een Koerdische asielzoeker uit Noord-Irak, werd geconfronteerd met een afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De aanvraag werd binnen 48 uur afgewezen door verweerder, mede vanwege een ongeloofwaardig geacht asielrelaas. Verzoeker stelde dat hij vanwege de situatie in Noord-Irak en zijn etniciteit onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn valt, dat bescherming biedt bij ernstige en individuele bedreiging door willekeurig geweld in een gewapend conflict.
De voorzieningenrechter overwoog dat het beroep van verzoeker niet kansloos is, mede omdat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de uitleg van dit artikel. In afwachting van deze beantwoording werd het onderzoek in het beroep van verzoeker aangehouden.
De rechter verwierp het standpunt van verweerder dat een ongeloofwaardig asielrelaas een beroep op artikel 15c uitsluit. Gezien de ernst van de mogelijke gevolgen van uitzetting en het feit dat de situatie in Noord-Irak een gewapend conflict betreft, werd het belang van verzoeker bij afwachting van de beslissing op zijn beroep als zwaarder gewogen dan het belang van verweerder.
Daarom werd de voorlopige voorziening toegewezen, waarmee de uitzetting van verzoeker werd geschorst totdat op het beroep is beslist. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoeker.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de uitzetting van verzoeker wordt geschorst totdat op het beroep is beslist.