ECLI:NL:RBSGR:2008:BC5526
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen ongewenstverklaring op grond van artikel 3 en 8 EVRM
Eiser, afkomstig uit Somalië en behorend tot de Darod Marehan clan, werd door de staatssecretaris van Justitie ongewenst verklaard vanwege zijn strafrechtelijke verleden. Eiser voerde aan dat hij en zijn familie vanwege hun stamafkomst slachtoffer zijn geworden van willekeurig geweld en dat hij daardoor een reëel risico loopt op schendingen van artikel 3 EVRM Pro (verbod op foltering en onmenselijke behandeling) bij terugkeer.
De rechtbank oordeelde dat de Darod clan niet als kwetsbare minderheidsgroep in de zin van de vreemdelingencirculaire 2000 kan worden aangemerkt en dat eiser onvoldoende specifieke kenmerken heeft aangevoerd om het risico aannemelijk te maken. Ook het feit dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) interim maatregelen heeft getroffen, betekent niet automatisch dat een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bestaat.
Ten aanzien van artikel 8 EVRM Pro (recht op respect voor privé- en gezinsleven) stelde de rechtbank vast dat verweerder de belangenafweging op juiste wijze heeft gemaakt, mede gelet op de strafrechtelijke veroordelingen van eiser en het ontbreken van een bijzondere band met zijn familieleden. De belangen van eiser wegen niet zwaarder dan het algemeen belang bij handhaving van de openbare orde.
De rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris eiser terecht ongewenst heeft verklaard en verklaarde het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een kostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard omdat geen reëel risico op schending van artikel 3 of 8 EVRM is aangetoond.