ECLI:NL:RBSGR:2008:BC6345
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.M. Dijksterhuis
- H. Gorter
- A. Woltjer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking verblijfsvergunning en ongewenstverklaring in het licht van artikel 8 EVRM
Eiser, van Surinaamse nationaliteit, kreeg in 2002 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'gezinshereniging bij ouder(s)'. Na herhaalde veroordelingen, voornamelijk wegens diefstal en een Opiumwetdelict, trok de Staatssecretaris van Justitie de vergunning in en verklaarde eiser ongewenst.
Eiser betwistte de intrekking en ongewenstverklaring met een beroep op artikel 8 EVRM Pro, dat het recht op respect voor familie- en gezinsleven beschermt. De rechtbank erkende de inmenging in dit recht, maar stelde vast dat de belangen van de Nederlandse Staat en de openbare orde zwaarder wegen, mede gelet op de ernst van de gepleegde misdrijven.
De rechtbank overwoog dat de belangen van eisers moeder, die de Nederlandse nationaliteit bezit, zijn meegewogen en dat zij kan worden geacht haar zoon naar het land van herkomst te volgen om het gezinsleven te continueren. Ook ten aanzien van andere gezinsleden is het redelijk dat zij eiser in het land van herkomst bezoeken.
De rechtbank concludeerde dat de belangenafweging proportioneel is en dat de intrekking en ongewenstverklaring niet in strijd zijn met artikel 8 EVRM Pro. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning en ongewenstverklaring blijven in stand.