ECLI:NL:RBSGR:2008:BC6885
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot onverbindendverklaring Verordening praktijkuitoefening advocaten
De Belangenvereniging van Ondernemende Advocaten (BOA) vorderde dat de Verordening op de praktijkuitoefening, vastgesteld door het College van Afgevaardigden van de Nederlandse Orde van Advocaten, onverbindend zou worden verklaard. De BOA stelde dat de Verordening in strijd was met artikel 28 lid 1 en Pro 29 lid 2 van de Advocatenwet (Aw), omdat deze de geheimhoudingsplicht van advocaten zou ondermijnen en de verordenende bevoegdheid van het College zou overschrijden.
De rechtbank oordeelde dat de BOA ontvankelijk was in haar vordering, maar verwierp het inhoudelijke betoog. De Verordening beoogt de naleving van de Wet Identificatie bij Dienstverlening (Wid) en de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties (Wet MOT) te waarborgen, wat een goede praktijkuitoefening dient. Het toezicht door de deken en auditors, zoals geregeld in de Verordening, vormt een complementair en tuchtrechtelijk toezicht dat het beroepsgeheim niet onaanvaardbaar aantast.
Voorts concludeerde de rechtbank dat de aanvullende verordenende bevoegdheid van het College van Afgevaardigden binnen artikel 29 lid 2 Aw Pro breder is dan de BOA betoogde. De Verordening dient een eigen doelstelling, namelijk het waarborgen van de integriteit van de advocatuur en het vertrouwen van het publiek, die verschilt van de doelstellingen van de Wid en Wet MOT. Daarom is de Verordening niet onverbindend wegens strijd met de Advocatenwet.
De vordering van de BOA werd afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot onverbindendverklaring van de Verordening af en veroordeelt de BOA in de proceskosten.