ECLI:NL:RBSGR:2008:BC7069

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
11 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08-6546
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.B.M. Hent
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 27 Richtlijn 2004/38/EGArt. 28 Richtlijn 2004/38/EGArt. 31 Richtlijn 2004/38/EG
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring EU-onderdaan volgens Vreemdelingenwet 2000

Eiser, een Poolse nationaliteit bezittende EU-onderdaan, werd op 22 februari 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 lid 1 aanhef Pro en onder a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat hij vrijelijk toegang tot Nederland heeft op basis van het vrije verkeer van burgers en dat verwijdering alleen mogelijk is bij een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging van fundamentele maatschappelijke belangen.

Verweerder beëindigde het verblijfsrecht van eiser bij beschikking van 21 februari 2008 en verklaarde hem ongewenst. Eiser maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening, die op korte termijn zou worden behandeld. De rechtbank oordeelde dat de rechtmatigheid van het besluit tot beëindiging van het verblijfsrecht niet in deze procedure kan worden beoordeeld, maar in de bezwaar- en voorlopige voorzieningsprocedures.

De rechtbank stelde vast dat het EU-burgerschap niet aan de maatregel van bewaring in de weg staat en dat de toepassing en tenuitvoerlegging van de bewaring niet in strijd zijn met de Vreemdelingenwet 2000. Gezien de belangenafweging achtte de rechtbank de maatregel niet onredelijk. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat daaraan geen voorwaarden waren voldaan.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Sector bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 08/6546
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2008
inzake
[eiser],
geboren op [geboortedatum] 1986,
van Poolse nationaliteit,
verblijvende te Rotterdam in de penitentiaire inrichting (detentieboot),
eiser,
gemachtigde mr. M. van Olffen,
tegen
de staatssecretaris van Justitie,
te Den Haag,
verweerder,
gemachtigde mr. A. Zeeman.
Procesverloop
Op 22 februari 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.
Op 22 februari 2008 is namens eiser tegen zijn inbewaringstelling beroep ingesteld. Voorts is om schadevergoeding verzocht.
De zaak is behandeld op de zitting van 4 maart 2008, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met de wet en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.
2. Namens eiser is – kort weergegeven – aangevoerd dat eiser de Poolse nationaliteit heeft en dat hij derhalve EU onderdaan is. Op grond hiervan heeft eiser vrijelijk toegang tot Nederland, voor zover hij zich beroept op het vrije verkeer van burgers. Verwijdering van eiser is slechts mogelijk indien er sprake is van actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Uit artikel 27 van Pro de Richtlijn 2004/38 alsmede artikel 3 van Pro de Richtlijn 64/221 EEG volgt dat strafrechtelijke veroordelingen als zodanig geen reden voor verwijdering vormen.
3. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder bij beschikking van 21 februari 2008 eisers verblijfsrecht op grond van artikel 27, eerste lid, van Richtlijn 2004/38/EG heeft beëindigd en eiser ongewenst heeft verklaard. Eiser heeft tegen deze beschikking bij verweerder bezwaar gemaakt alsmede de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal op 18 maart 2008 worden behandeld.
4. De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige procedure niet de rechtmatigheid van het genoemde besluit tot beëindiging van eisers verblijf aan de orde kan worden gesteld. Die beoordeling dient plaats te vinden in de bezwaarschriftprocedure en de procedure ter beoordeling van het ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. De argumenten die eiser in dat verband onder verwijzing naar de artikelen 27 en 28 van de Richtlijn 2004/38/EG heeft aangevoerd zullen dan ook in die procedures beoordeeld moeten worden. Het EU-burgerschap staat op zich niet aan de maatregel van bewaring in de weg. Met name artikel 31 van Pro de Richtlijn 2004/38/EG vormt daartoe geen belemmering, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op korte termijn zal worden behandeld.
5. Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring niet in strijd is met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.
6. Gelet op het voorgaande moet de vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59 van Pro de Vw 2000 rechtmatig worden geoordeeld en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
7. Het namens eiser ingediende verzoek om schadevergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu ingevolge artikel 106 van Pro de Vw 2000 een dergelijk verzoek slechts kan worden toegewezen indien de rechtbank de opheffing van de bewaring beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van de maatregel wordt opgeheven, hetgeen in casu niet het geval is.
8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
9. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank,
- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring ongegrond;
- wijst het verzoek om de Staat der Nederlanden te veroordelen tot schadevergoeding af.
Aldus gedaan door mr. A.B.M. Hent als rechter in tegenwoordigheid van G.C.A. Dingemans Wierts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2008.