ECLI:NL:RBSGR:2008:BC7073

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
10 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08-6551
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.B.M. Hent
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 8:68 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar Iran

Eiser, een uitgeprocedeerde asielzoeker van Iraanse nationaliteit, werd op 22 februari 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld met het oog op gedwongen uitzetting naar Iran. Eiser beschikte niet over originele documenten die zijn identiteit en nationaliteit konden aantonen, en kon deze ook niet verkrijgen doordat zijn familie in het buitenland woont. Verweerder stelde dat uitzetting zonder dergelijke documenten niet onmogelijk is, verwijzend naar afspraken met Iraanse autoriteiten en eerdere verwijderingen van Iraniërs met originele documenten.

De rechtbank heropende het onderzoek en concludeerde dat gedwongen terugkeer naar Iran alleen mogelijk is met originele documenten, en dat in 2007 geen Iraniërs met dergelijke documenten zijn uitgezet. De identiteit van eiser was bekend, maar er was geen zicht op uitzetting omdat eiser niet over de benodigde documenten beschikte en geen concrete aanwijzingen bestonden dat hij deze kon verkrijgen.

De rechtbank oordeelde dat de bewaring van aanvang af onrechtmatig was vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, de bewaring opgeheven met ingang van 10 maart 2008, en werd eiser een schadevergoeding van €1615,00 toegekend voor de onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens werden de proceskosten van €644,00 aan eiser toegewezen.

Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting en eiser ontvangt een schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Sector bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 08/6551
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2008
inzake
[eiser] dan wel [alias],
geboren op [geboortedatum] 1964,
van Iraanse nationaliteit,
verblijvende in het DTC te Alpen aan de Rijn,
eiser,
gemachtigde mr. D.G. Metselaar,
tegen
de staatssecretaris van Justitie,
te Den Haag,
verweerder,
gemachtigde mr. A. Zeeman.
Procesverloop
Op 22 februari 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.
Op 22 februari 2008 is namens eiser tegen zijn inbewaringstelling beroep ingesteld. Voorts is om schadevergoeding verzocht.
De zaak is behandeld op de zitting van 4 maart 2008, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.
Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank op 5 maart 2008 met toepassing van artikel 8:68 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere vragen te beantwoorden.
Verweerder heeft bij brief van 10 maart 2008 gereageerd. De gemachtigde van eiser heeft hierop bij brief van diezelfde datum gereageerd.
Partijen hebben toestemming verleend om uitspraak te doen zonder nadere zitting als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Awb, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met de wet en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.
2. Namens eiser is – kort weergegeven – dat de identiteit van eiser bij verweerder reeds bekend was. Gedwongen terugkeer naar Iran is uitsluitend mogelijk indien eiser in het bezit is van documenten. Eiser – hij is een uitgeprocedeerde asielzoeker – bezit deze niet en verkeert ook niet in de mogelijkheid om daarvan in het bezit te komen, nu zijn ouders in Canada wonen en zijn broer in Zweden. Nu de Iraanse autoriteiten terughoudend zijn met het terugnemen van vreemdelingen, is de kans op afgifte van een laissez-passer gering.
3. Verweerder heeft erop gewezen dat eiser heeft geweigerd om een laissez passer-formulier in te vullen. In verband hiermee is de laissez passer-aanvraag door de regievoerder ingevuld. Verweerder wijst erop dat in 2007 weliswaar geen Iraniërs zonder documenten zijn uitgezet, doch dat uitzetting niet onmogelijk is. Eind 2007 zijn er afspraken gemaakt met de Iraanse autoriteiten.
4. Desgevraagd heeft verweerder schriftelijk medegedeeld dat gedwongen terugkeer naar Iran mogelijk is wanneer een Iraniër beschikt over een origineel document waaruit zijn identiteit en nationaliteit blijkt, bijvoorbeeld een identiteits (geboorte)boekje, rijbewijs, verlopen paspoort of militaire afzwaaikaart. Iraniërs worden op deze documenten gedwongen naar Iran verwijderd. Sedert 2001 zijn aldus 40 Iraniërs teruggegaan. In 2007 zijn geen Iraniërs met origineel document verwijderd, aldus verweerder. Met betrekking tot de afspraken die met de Iraanse autoriteiten zijn gemaakt heeft verweerder erop gewezen dat de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) werkafspraken heeft gemaakt met de Iraanse ambassade. Deze afspraken zien enkel op de wijze van presentatie van (gestelde) Iraanse onderdanen.
5. Namens verweerder is niet weersproken dat de identiteit van eiser op het moment van inbewaringstelling bekend was. Eiser heeft immers enkele jaren rechtmatig verblijf gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met l van de Vw 2000 en eiser is vanwege diverse gevangenisstraffen geruime tijd binnen de macht van verweerder geweest. Verder was verweerder op het moment van inbewaringstelling ervan op de hoogte – althans verweerder had dit kunnen en derhalve moeten zijn – dat verwijdering naar Iran uitsluitend met originele documenten kan plaatsvinden en dat er in 2007 geen Iraniërs – kennelijk ook geen Iraniërs met originele documenten – gedwongen zijn verwijderd. Aldus kan niet worden gezegd dat zicht op uitzetting bestaat. De omstandigheid dat eiser niet aan zijn uitzetting wil meewerken doet hieraan niet af. In dat verband is van belang dat eiser heeft gesteld dat zijn ouders in Canada en zijn broer in Zweden woonachtig zijn, waardoor hij van die zijde geen hulp kan krijgen bij het verkrijgen van documenten. Weliswaar valt daarmee niet met zekerheid te zeggen dat uitgesloten moet worden geacht dat hij de vereiste documenten kan verkrijgen, maar bij het ontbreken van concrete aanwijzingen in een andere richting kan evenmin worden gezegd dat het louter van eisers medewerking afhankelijk is dat of hij al dan niet over de benodigde documenten kan beschikken. Een vreemdeling als eiser kan onder deze omstandigheden niet in bewaring worden gehouden totdat hij heeft aangetoond dat reële pogingen tot het verkrijgen van documenten vruchteloos zijn gebleken.
6. Gelet op het voorgaande moet de bewaring, wegens het ontbreken van zicht op uitzetting, van aanvang af onrechtmatig worden geacht en dient het beroep gegrond te worden verklaard.
7. Op grond van het bepaalde in artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreedeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
8. Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van € 95,00 voor elke dag die in een politiecel is doorgebracht en van € 70,00 voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht.
9. Nu de bewaring blijkens het voorgaande van aanvang af onrechtmatig is, acht de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig om eiser schadevergoeding toe te kennen.
10. Overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de dag waarop de bewaring is geëindigd, te weten 10 maart 2008, buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de schadevergoeding, zodat eiser over de periode van 22 februari 2008 tot en met 9 maart 2008 schadevergoeding toekomt. In totaal bedraagt de schadevergoeding 17 x € 95,00 is € 1615,00.
11. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:
• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;
• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;
• waarde per punt € 322,00;
• wegingsfactor 1.
12. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.
Beslissing
De rechtbank,
- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van Pro de Vw 2000 van eiser met ingang van 10 maart 2008;
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van de Staat der Nederlanden, ten bedrage van € 1615,00;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;
- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden;
- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.
Aldus gedaan door mr. A.B.M. Hent als rechter in tegenwoordigheid van G.C.A. Dingemans Wierts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2008.
Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 1615,00 (ZEGGE: ÉÉNDUIZENDZESHONDERDVIJFTIEN EURO)
Aldus gedaan op 10 maart 2008 door mr. A.B.M. Hent.