ECLI:NL:RBSGR:2008:BC8984

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
3 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/9990
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 4.21 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 85 Vw 2000Art. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatregel van vreemdelingenbewaring ondanks verblijf in asielzoekerscentrum

Eiser, een vreemdeling van Congolese nationaliteit, werd op 17 maart 2008 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie. Eiser voerde aan dat hij wel degelijk een vaste woon- of verblijfplaats had, namelijk het asielzoekerscentrum te Ter Apel, en dat hij voldoende middelen van bestaan ontving via verstrekkingen in het azc. De rechtbank erkende dat een verblijf in een azc als vaste woon- of verblijfplaats kan worden aangemerkt en dat eiser daardoor over voldoende middelen beschikte.

Desondanks oordeelde de rechtbank dat andere gronden, zoals het ontbreken van een identiteitspapier en het niet naleven van de vertrektermijn na een eerdere asielaanvraag, de maatregel rechtvaardigden. De rechtbank verwierp het beroep en wees het verzoek om schadevergoeding af.

De rechtbank verwees naar eerdere jurisprudentie waarin het verblijf in een azc als vaste woon- of verblijfplaats werd erkend. De beslissing benadrukte dat het ontbreken van een identiteitsbewijs en het niet naleven van de vertrektermijn voldoende grond vormen voor de maatregel van bewaring, mede vanwege het risico op onttrekking aan uitzetting en de bescherming van de openbare orde.

De uitspraak werd gedaan door mr. S.M. Schothorst op 3 april 2008 en partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats Groningen
Sector Bestuursrecht
Vreemdelingenkamer
Zaaknummer: Awb 08/9990
Uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd, althans zich noemende:
[eiser],
geboren op [geboortedatum] 1970,
van Congolese nationaliteit,
V-nummer: 270.31.8160,
eiser,
gemachtigde: mr. J.A. Tegenbosch, advocaat te Boxtel.
1. Ontstaan en loop van het geschil
1.1. De Staatssecretaris van Justitie, hierna verweerder, heeft op 17 maart 2008 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000.
1.2. Eiser heeft hiertegen op 19 maart 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser doorgestuurd en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.
1.4. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 31 maart 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor verweerder is als gemachtigde verschenen mr. C.H.H.P.M. Kelderman.
2. Rechtsoverwegingen
2.1. In deze procedure dient te worden beoordeeld of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in overeenstemming zijn met de wet en of de maatregel in redelijkheid bij afweging van alle daarbij betrokken belangen gerechtvaardigd is.
2.2. Eiser heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de maatregel te bevelen en schadevergoeding toe te kennen. Eiser heeft gesteld dat er onvoldoende gronden voor de inbewaringstelling zijn.
2.3. Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.
2.4. In de maatregel heeft verweerder het vermoeden van onttrekking aan de uitzetting gebaseerd op de omstandigheden dat eiser niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, zich niet gehouden heeft aan zijn vertrektermijn en geen voldoende middelen van bestaan heeft.
2.5. Eiser heeft gesteld dat hij wel over een woonplaats beschikt, daar hij in het asielzoekerscentrum (azc) verblijft. Blijkens het proces-verbaal van 17 maart 2008 verbleef eiser in het asielzoekerscentrum te Ter Apel. Daargelaten of eiser op dit adres was ingeschreven in de GBA, is aldus aangetoond dat het azc te Ter Apel de vaste woon- of verblijfplaats was van eiser op het moment van het opleggen van de maatregel op 17 maart 2008. De rechtbank acht geen grond aanwezig om een asielzoekerscentrum niet als een vaste woon- of verblijfplaats aan te merken. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, van 26 maart 2004 (AWB 05/12571; LJN: AP4391) en 27 maart 2003 (AWB 03/34398; LJN: AL1729). Aangenomen mag worden dat eiser in het azc verstrekkingen verkreeg en aldus ook over voldoende middelen van bestaan beschikte. Nu niet is gebleken is van een beslissing van het COA om deze verstrekkingen te beëindigen, heeft verweerder ten onrechte aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats en over voldoende middelen van bestaan.
2.6. De overige gronden kunnen echter de maatregel wel dragen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. De stelling van eiser dat het niet beschikken over een identiteitspapier hem niet kan worden tegengeworpen, nu in Congo geen paspoorten meer worden uitgegeven, laat onverlet dat eiser niet over een identiteitspapier beschikt, hetgeen aan de maatregel ten grondslag kon worden gelegd.
Eiser heeft tevens gesteld dat hij na de tweede asielaanvraag een vertrektermijn van 24 of 48 uur had om Nederland te verlaten. Wat daar ook van zij, niet in geschil is dat eiser na de beschikking op zijn eerdere asielaanvraag, Nederland niet heeft verlaten en aldus zich niet heeft gehouden aan zijn vertrektermijn. Ook deze omstandigheid kon aan de maatregel ten grondslag worden gelegd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van deze twee gronden zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er gevaar is voor onttrekking aan de voorgenomen uitzetting en dat de openbare orde derhalve de inbewaringstelling vordert.
2.7. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond en bestaat geen aanleiding om schadevergoeding toe te kennen.
3. Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus gegeven door mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van P.W. Karsowidjojo als griffier op 3 april 2008.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage) onder vermelding van ‘Hoger beroep vreemdelingenzaken’. Ingevolge artikel 85 Vw Pro 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
Afschrift verzonden: