ECLI:NL:RBSGR:2008:BD0989
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende zwaarwegendheid vervolgingsvrees
Verzoeker, een Cubaanse nationaliteit dragende vreemdeling, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning op grond van vreemdelingenrecht, met als grond dat hij illegaal Cuba had verlaten en vreest voor vervolging bij terugkeer. Verweerder wees de aanvraag af wegens het ontbreken van documenten ter staving van identiteit en nationaliteit en oordeelde dat het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht had.
De rechtbank oordeelt dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van verklaringen primair aan verweerder toekomt, maar dat de rechter terughoudendheid moet betrachten bij de interpretatie daarvan. In deze zaak gaat het echter om de kwalificatie van de illegale uitreis als vaststaand feit en de vraag of de reactie van de Cubaanse autoriteiten voldoende zwaarwegend is om te spreken van vervolging of behandeling in de zin van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 EVRM Pro.
De rechtbank stelt vast dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vrees voor vervolging niet zwaarwegend is, waardoor het besluit vernietigd wordt. Desondanks blijven de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het ambtsbericht en aanvullingen geen aanwijzingen geven voor een reëel risico op vervolging of onmenselijke behandeling. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen wegens gebrek aan belang.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van proceskosten aan verzoeker en wijst erop dat tegen deze uitspraak hoger beroep mogelijk is binnen een week.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.