ECLI:NL:RBSGR:2008:BD3789
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegronde klacht over vreemdelingenbewaring wegens vermeende discriminatie en belangenafweging
Eiser, een Chinese vreemdeling die illegaal in Nederland verbleef, werd in bewaring gesteld na ontvangst van het voornemen tot uitzetting. Hij stelde dat deze bewaring onrechtmatig was omdat hij reeds na het voornemen in bewaring werd gesteld en dit uitsluitend voor Chinese vreemdelingen zou gelden, wat volgens hem discriminatie inhoudt.
De rechtbank verwees naar de Vreemdelingencirculaire 2000, waarin is bepaald dat bewaring niet mag worden toegepast op basis van algemene overwegingen, maar moet berusten op feiten en omstandigheden die specifiek op de persoon van de vreemdeling betrekking hebben. De belangenafweging van verweerder hield rekening met het illegale verblijf van eiser, het niet opvolgen van de aanzegging Nederland te verlaten en het risico dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken.
Eiser voerde verder aan dat geen zicht op uitzetting bestond, mede omdat geen laissez-passers werden verstrekt door Chinese autoriteiten. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende had aangetoond dat hij niet in staat was documenten te verkrijgen en dat hij bovendien had verklaard niet mee te willen werken aan terugkeer. Daarom was het aannemelijk dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken.
De rechtbank verwierp het discriminatieverweer en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens wees zij het verzoek om schadevergoeding af. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.