ECLI:NL:RBSGR:2008:BD4773

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
5 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/17308
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 4.21 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 85 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen vreemdelingenbewaring wegens gebrek aan zicht op uitzetting

Eiser, een Chinese vreemdeling zonder identiteitsdocumenten, werd na een afwijzend asielbesluit op 14 mei 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank beoordeelde of de bewaring rechtmatig was en of er zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn.

De rechtbank overwoog dat het ontbreken van documenten bij inbewaringstelling niet automatisch betekent dat er geen zicht op uitzetting is. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om mee te werken aan het verkrijgen van documenten en informatie die het vaststellen van identiteit en herkomst mogelijk maken. Verweerder stelde dat ook schoolkaarten, ziekenhuispassen en werkpassen als aanknopingspunten kunnen dienen.

Uit een vertrekgesprek bleek dat eiser niet bereid was het aanvraagformulier voor een laissez passer in te vullen, wat de rechtbank meende dat verweerder terecht concludeerde dat er voldoende zicht op uitzetting is. De rechtbank stelde vast dat de bewaring op de juiste wettelijke grondslag berust en niet onrechtmatig is. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats Assen
Sector Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 08/17308 VRONTN S4
Uitspraak van 5 juni 2008 op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:
[..],
geboren [..],
van Chinese nationaliteit,
IND-dossiernummer: [..],
V-nummer: [..]],
eiser,
gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt, advocaat te Emmen,
tegen
de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. M.P. Gaal-De Groot,
ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 mei 2008 is eiser op de voet van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 in bewaring gesteld.
Eiser heeft op 15 mei 2008 beroep ingesteld tegen dit besluit waarbij is verzocht om opheffing van de bewaring onder toekenning van schadevergoeding.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 29 mei 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Ter zitting was tevens aanwezig een tolk Mandarijn.
Overwegingen
Eiser is op 14 mei 2008, na uitreiking van een afwijzend besluit op zijn asielaanvraag, in vreemdelingenbewaring gesteld.
Beoordeeld dient te worden of de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.
De rechtbank overweegt als volgt.
De procedure leidend tot het besluit tot oplegging van de maatregel is in overeenstemming met de wettelijke vereisten. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft, zodat eiser valt onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel berust aldus op de juiste grondslag.
Verweerder heeft vastgesteld dat eiser niet beschikt over een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 Vreemdelingenbesluit 2000, terwijl eiser voorts geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Daarnaast heeft verweerder nog vastgesteld dat eiser zich niet heeft gemeld bij de korpschef, eerder niet rechtmatig in Nederland heeft verbleven en dat hij onvoldoende middelen van bestaan heeft.
Deze gronden zijn door eiser niet betwist.
Eiser stelt dat de bewaring onrechtmatig is omdat geen zicht bestaat op uitzetting binnen een redelijke termijn. In heel 2007 is geen ongedocumenteerde Chinese vreemdeling uitgezet en eiser is ongedocumenteerd. Eiser beroept zich, ter onderbouwing van zijn standpunt, op uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Den Bosch (o.a. 08/13751, 29 april 2008). Deze uitspraken zijn de rechtbank ambtshalve bekend.
Eiser stelt dat de grote groep Chinezen die momenteel in bewaring zit maakt dat het eindeloos kan duren voor eiser eens gepresenteerd zal kunnen worden bij de Chinese autoriteiten. Chinese vreemdelingen zitten vast om politieke redenen maar zicht op uitzetting ontbreekt.
Verweerder heeft zich ter zitting beroepen op een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 april 2007 waarin op de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling wordt gewezen. Ook wijst verweerder naar het ambtsbericht inzake China van de Minister van Buitenlandse Zaken van april 2008. Uit dit ambtsbericht blijkt dat het ten aanzien van het zogenaamde Hukou-boekje mogelijk is dit te reactiveren nadat men jaren geleden China heeft verlaten. Registraties van personen uit de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw zijn nog bewaard gebleven.
De rechtbank overweegt als volgt.
Het is de rechtbank bekend dat uitzettingen naar China niet veelvuldig voorkomen en dat het verkrijgen van laissez passers en reisdocumenten niet gemakkelijk is.
Naar het oordeel van de rechtbank is het aan eiser om mee te werken aan zijn uitzetting en zijn kansen daarop te vergroten door te proberen aan documenten te komen maar ook door alle mogelijke informatie te verschaffen die kan leiden tot het vaststellen van zijn identiteit en herkomst. Het is thans nog te vroeg om eisers ‘ongedocumenteerdheid’ te koppelen aan de vereiste ‘zicht op uitzetting’ louter omdat hij bij de inbewaringstelling niet over documenten beschikte. Het is mede de eigen verantwoordelijkheid van eiser om er voor te zorgen dat hij niet documentloos blijft. Ter zitting heeft verweerder betoogd dat ieder document welkom is, ook schoolkaarten, ziekenhuispassen, werkpassen en dergelijke om in elk geval een aanknopingspunt te hebben voor verder onderzoek. Deze grondhouding is, naar het oordeel van de rechtbank, juist. Het is, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, ondenkbaar dat iemand niets relevants kan vertellen over zijn leven voordat hij naar Nederland kwam en geen informatie kan verschaffen waarin aanknopingspunten gevonden kunnen worden voor verder onderzoek naar identiteit, nationaliteit en herkomst. Uit een nagekomen bericht van verweerder, inzake een vertrekgesprek met eiser op 20 mei 2008, daags voor de zitting aan de rechtbank en eisers gemachtigde gefaxt, blijkt dat eiser het aanvraagformulier ter verkrijging van een laissez passer niet heeft willen invullen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van voldoende zicht op uitzetting.
Op grond van het vorenstaande overweegt de rechtbank dat verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting werkt.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring als bedoeld in artikel 59 Vw Pro 2000 niet onrechtmatig is. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard. Het verzoek om schadevergoeding dient derhalve te worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus gewezen door mr. L.J. Hofstra, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.B.A. Mensink, griffier.
, griffier.
, rechter.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2008
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat op grond van artikel 95 Vw Pro 2000 hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC
's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week.
Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 Algemene Pro wet bestuursrecht (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, Vw 2000 één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Awb Pro (herstel verzuim) is niet van toepassing.
Verzonden: