ECLI:NL:RBSGR:2008:BD4774
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring na afwijzing asielverzoek van Chinese vreemdeling
Eiser, een Chinese vreemdeling die op 18 maart 2008 Nederland binnenkwam en direct een asielverzoek indiende, werd op 14 mei 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld na afwijzing van zijn asielaanvraag. Verweerder stelde dat eiser deel uitmaakt van een risicogroep van zogenaamde '1-april-Chinezen', die zich mogelijk aan toezicht en uitzetting onttrekken. De rechtbank oordeelt echter dat eiser hier niet toe behoort, omdat hij vóór 1 april 2008 is binnengekomen en geen bewijs is geleverd dat hij tot de groep van 250 Chinezen behoort die weer verdwenen zijn in de illegaliteit.
Hoewel eiser ongedocumenteerd is en geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, is het aan hem om mee te werken aan zijn uitzetting door het verstrekken van informatie en documenten. De rechtbank acht het onvoldoende om zijn ongedocumenteerdheid te koppelen aan het ontbreken van zicht op uitzetting. Verweerder werkt voortvarend aan uitzetting en er zijn voldoende zelfstandige gronden voor bewaring die niet zijn betwist.
De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is en dat het beroep ongegrond is. Tevens wijst zij het verzoek om schadevergoeding af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.