ECLI:NL:RBSGR:2008:BD4871
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.C. Punt
- Rechtspraak.nl
Vaststelling biologisch vaderschap en verkrijging Nederlandse nationaliteit na postnatale erkenning
Verzoeker, vader en wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige, verzocht de rechtbank om vast te stellen dat hij de biologische vader is van de minderjarige en dat het kind de Nederlandse nationaliteit bezit. De minderjarige is geboren in Frankrijk en erkend door verzoeker kort na de geboorte.
De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 4 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) het kind de Nederlandse nationaliteit kan verkrijgen indien het vaderschap gerechtelijk wordt vastgesteld. De Hoge Raad heeft bepaald dat postnatale erkenning gecombineerd met gerechtelijk bewijs van verwekkerschap gelijkgesteld kan worden met gerechtelijke vaststelling van vaderschap voor de toepassing van artikel 4 RWN Pro.
Verzoeker overlegde een DNA-rapport waaruit blijkt dat hij met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de biologische vader is. De rechtbank stelde vast dat verzoeker zijn vaderschap voldoende had aangetoond, waardoor het kind na drie maanden na deze uitspraak het Nederlanderschap verkrijgt.
Het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap op grond van artikel 1:207 BW Pro werd echter afgewezen omdat dit verzoek niet door de vader kan worden ingediend, tenzij het kind zestien jaar of ouder is of het verzoek door het kind zelf wordt gedaan. Het meer of anders verzochte werd afgewezen en verzoeker werd daarin niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat de minderjarige na drie maanden het Nederlanderschap verkrijgt en verklaart het verzoek tot gerechtelijke vaststelling vaderschap door de vader niet-ontvankelijk.