ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5793
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A. van ’t Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering verblijfsvergunning studie wegens onvoldoende motivering vestigingsgevaar
Eiseres diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met het doel studie in Nederland te volgen. Verweerder wees deze aanvraag af op grond van artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000, omdat het vertrek van eiseres na beëindiging van de studie niet redelijkerwijs gewaarborgd zou zijn. Verweerder baseerde dit op eerdere aanvragen waaruit zou blijken dat eiseres feitelijk verblijf bij familie in Nederland beoogde.
Eiseres voerde aan dat zij na voltooiing van haar studie Nederland zal verlaten en dat het weigeren van de vergunning in strijd is met de EU-richtlijn 2004/114/EG, die limitatieve weigeringsgronden bevat en vestigingsgevaar niet als zodanig noemt. Tevens stelde zij dat het belang van gezinsleven zwaarder weegt dan het restrictieve toelatingsbeleid.
De rechtbank oordeelde dat verweerder het besluit onvoldoende had gemotiveerd en niet had getoetst aan de toelatings- en weigeringsgronden van de richtlijn. De vijftiende overweging van de preambule bij de richtlijn betreft slechts procedurele aspecten en is geen zelfstandige weigeringsgrond. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en in strijd met de artikelen 3:4 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen waarbij het vestigingsgevaar en mogelijke bedreiging van de openbare orde opnieuw moeten worden beoordeeld. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de verblijfsvergunning voor studie wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.