ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5904

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
1 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
307354 / JE RK 08-699
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:10 AwbArt. 5 lid 2 Wet op de JeugdzorgArt. 5 lid 5 Wet op de JeugdzorgArt. 6 lid 4 Wet op de JeugdzorgArt. 3 lid 4 Wet op de Jeugdzorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen indicatiebesluit Bureau Jeugdzorg

De kinderrechter van de rechtbank 's-Gravenhage behandelde een verzoek tot voorlopige voorziening tegen een indicatiebesluit van Bureau Jeugdzorg Haaglanden. Dit indicatiebesluit betrof de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige.

Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen het indicatiebesluit en stelde dat het besluit ondeugdelijk was genomen en onjuistheden bevatte, waardoor het vernietigd zou moeten worden. Verweerster voerde aan dat indicatiebesluiten in samenhang met een ondertoezichtstelling volgens de wet zijn uitgezonderd van afzonderlijke rechterlijke toetsing, waardoor het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

De rechtbank oordeelde dat de wettelijke termijn voor het beslissen op bezwaar nog niet was verstreken en dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen bood. Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De beschikking werd gegeven door kinderrechter M. Dam en uitgesproken tijdens een openbare zitting op 1 april 2008.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het indicatiebesluit van Bureau Jeugdzorg is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector Familie- en Jeugdrecht
Kinderrechter
zaak/rekestnummer: 307354 / JE RK 08-699
datum uitspraak: 1 april 2008
Uitspraak op het verzoek om een VOORLOPIGE VOORZIENING VAN
[verzoekster], wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: verzoekster,
tegen
BUREAU JEUGDZORG HAAGLANDEN, [...],
hierna te noemen: verweerster.
PROCESGANG
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 17 april 2007 de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd van 19 april 2007 tot 19 april 2008.
Voorts heeft de kinderrechter bij beschikking d.d. 16 oktober 2007 de aan Bureau Jeugdzorg gegeven machtiging om voornoemde minderjarige dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd van 19 oktober 2007 tot 17 april 2008 (waarvoor de kinderrechter leest: 19 april 2008).
Op 4 februari 2008 heeft Bureau Jeugdzorg een verzoekschrift met bijlagen ingediend bij voornoemde rechtbank, tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van één jaar, alsmede tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van de ondertoezichtstelling, zulks ter effectuering van het indicatiebesluit d.d. 22 januari 2008.
Op 27 februari 2008 is namens verzoekster een bezwaarschrift ingediend bij verweerster tegen voornoemd indicatiebesluit.
Verzoekster heeft op 28 februari 2008 bij deze rechtbank een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.
Het verzoekschrift is op 1 april 2008 ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.
Ter terechtzitting zijn verschenen:
- mevrouw mr. [A] en mevrouw [B], namens verweerster,
- verzoekster, bijgestaan door haar gemachtigde, de heer [C].
BEOORDELING
Verzoekster heeft op 27 februari 2008 een bezwaar tegen voornoemd indicatiebesluit ingediend. De wettelijke termijn van zes weken voor het beslissen op bezwaar zoals neergelegd in de eerste 2 leden van artikel 7:10 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is dan ook nog niet verstreken. Thans zal daarom moeten worden beoordeeld of het door verzoekster ingediende bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Indien dit het geval zou zijn, zou er aanleiding bestaan een voorlopige voorziening te treffen.
Verzoekster stelt zich -kort gezegd- op het standpunt dat het indicatiebesluit op ondeugdelijke wijze tot stand is gekomen en onjuistheden bevat. Gelet hierop zou het indicatiebesluit volgens haar moeten worden vernietigd.
Verweerster heeft -samengevat- aangevoerd dat indicatiebesluiten die in samenhang met een ondertoezichtstelling zijn genomen door de wetgever zijn uitgezonderd van een afzonderlijke (rechterlijke) toetsing, waaruit volgt dat het door verzoekster ingediende bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.
De kinderrechter overweegt als volgt.
De hoofdregel is dat tegen besluiten van Bureau Jeugdzorg ingevolge artikel 5 lid 2 en Pro artikel 6 lid 4 Wet Pro op de Jeugdzorg, beroep openstaat bij de kinderrechter, (artikel 5 lid 5 Wet Pro op de Jeugdzorg) en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Het voorgaande geldt ingevolge onderdeel H3 van de negatieve lijst bij de Awb niet voor besluiten van Bureau Jeugdzorg als bedoeld in artikel 3 lid 4 Wet Pro op de Jeugdzorg, de zogenaamde indicatiebesluiten. Dergelijke besluiten worden door de kinderrechter getoetst in het kader van de machtigingsprocedure van artikel 1:261 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
Dit leidt ertoe dat het door verzoekster ingediende bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft , zodat het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.
BESLISSING
De kinderrechter:
wijst af het verzoek om een voorlopige voorziening.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Dam, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2008, in tegenwoordigheid van J.A. van Soest als griffier.