ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5951
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen beslissing Centrale Autoriteit inzake internationale kinderontvoering en gezagsrecht
De man diende een bezwaarschrift in tegen het besluit van de Centrale Autoriteit om zijn verzoek tot teruggeleiding van zijn minderjarige kind uit [land] niet in behandeling te nemen. De Centrale Autoriteit oordeelde dat er geen sprake was van ongeoorloofde overbrenging omdat de vrouw, die het ouderlijk gezag alleen uitoefende op het moment van vertrek, rechtmatig de verblijfplaats van de minderjarige wijzigde.
De rechtbank stelde vast dat de overbrenging of achterhouding van de minderjarige uiterlijk op 30 september 2007 heeft plaatsgevonden, toen de vrouw en het kind zich definitief in [land] vestigden. De man verkreeg pas op 5 december 2007 gezamenlijk gezag, nadat de overbrenging had plaatsgevonden. Hierdoor was de overbrenging niet in strijd met het gezagsrecht volgens Nederlands recht.
De man voerde aan dat er sprake was van misbruik van gezagsrecht en dat hij feitelijk gezag uitoefende, onder meer door een omgangsregeling en een mondelinge overeenkomst. De rechtbank verwierp dit, stellende dat omgangsrecht geen gezagsrecht inhoudt en dat gezag alleen via rechterlijke uitspraak kan worden vastgesteld.
De rechtbank concludeerde dat de Centrale Autoriteit terecht oordeelde dat het verzoek niet in behandeling genomen hoefde te worden omdat er geen ongeoorloofde overbrenging was in de zin van artikel 3 van Pro het Haags Verdrag, en verklaarde het bezwaar ongegrond.
Uitkomst: Het bezwaar van de man wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot teruggeleiding wordt niet in behandeling genomen.