ECLI:NL:RBSGR:2008:BD6550
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- M.A.C. Prins
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting in kader pardonregeling vreemdelingen
Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit van verweerder om hem geen aanbod te doen op grond van de pardonregeling (WBV 2007/11). Verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en wees op het ontbreken van ononderbroken verblijf sinds 1 april 2001, terwijl verzoeker kort in het buitenland verbleef.
De voorzieningenrechter overwoog dat het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar en het niet doen van een aanbod mogelijk wel een besluit of een bezwaarvatbare handeling is, maar dat dit in de bodemprocedure nader moet worden beoordeeld. Vast stond dat verzoeker in beginsel onder de pardonregeling valt en dat het kort verblijf in het buitenland niet automatisch tegengeworpen mag worden.
Gezien de omstandigheden achtte de voorzieningenrechter het niet onaannemelijk dat verzoeker aan de voorwaarden van ononderbroken verblijf voldoet. Verweerder liet de stellingen van verzoeker inhoudelijk onbeantwoord. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en werd verweerder veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en de uitzetting van verzoeker wordt opgeschort totdat op het beroepschrift is beslist.