ECLI:NL:RBSGR:2008:BD6795
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.F.M. Hofhuis
- D. Aarts
- G.K. Sluiter
- Rechtspraak.nl
Rechtbank verklaart zich onbevoegd in civiele procedure tegen VN wegens immuniteit
De Stichting Mothers of Srebrenica en tien individuele eiseressen stelden de Nederlandse Staat en de Verenigde Naties aansprakelijk voor het falen van de VN-vredesmissie in Srebrenica in 1995, waarbij duizenden burgers werden vermoord. De Staat stelde een incident tot onbevoegdverklaring van de rechtbank voor zover het de VN betrof, vanwege de immuniteit die de VN geniet op grond van artikel 105 lid 1 van Pro het VN-Handvest en de Convention on the Privileges and Immunities of the United Nations.
De rechtbank onderzocht eerst de reikwijdte van de immuniteit van de VN in het volkenrecht en concludeerde dat deze immuniteit absoluut is en in de internationale praktijk wordt gerespecteerd. De rechtbank verwierp de stelling dat andere internationale normen, zoals het Genocideverdrag, het IVBPR en het EVRM, een uitzondering op deze immuniteit rechtvaardigen. Jurisprudentie van het Internationaal Gerechtshof en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ondersteunen een terughoudende toetsing door nationale rechters.
De rechtbank oordeelde dat de Staat een eigen belang heeft bij het instellen van de vordering tot onbevoegdverklaring en dat de immuniteit van de VN ambtshalve moet worden gerespecteerd. De incidentele vordering van de Staat werd toegewezen, waardoor de rechtbank zich onbevoegd verklaarde om kennis te nemen van de vordering tegen de VN. De Stichting Mothers of Srebrenica werd veroordeeld in de kosten van het incident.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering tegen de Verenigde Naties vanwege haar absolute immuniteit.