2.7. Ingevolge artikel 8.7, eerste lid, Vb 2000 is hoofdstuk 8, afdeling 2, paragraaf 2 van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.
Ingevolge artikel 8.22, eerste lid, Vb 2000 kan verweerder het rechtmatig verblijf ontzeggen of beeindigen om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, indien het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.
Het door verweerder gevoerde beleid ter zake van ongewenstverklaring van EU-/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden is neergelegd in hoofdstuk A5/6 Vc 2000.
2.8. Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000, voor zover hier van belang, kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd.
2.9. Niet in geschil is dat eiser van Franse nationaliteit is, zodat hij onderdaan is van een lidstaat en derhalve burger van de Europese Unie. Ingevolge artikel 18, eerste lid, EG-Verdrag komt eiser derhalve een recht toe om op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven. Aan de uitoefening van dit recht kunnen de in die bepaling bedoelde beperkingen en voorwaarden worden gesteld, mits deze worden toegepast met inachtneming van de algemene gemeenschapsrechtelijke beginselen, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel (Hof van Justitie EG (HvJ EG) inzake Baumbast, 17 september 2002, JV 2002/466). Niet in geschil is dat eiser tot op het moment van verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring op grond van artikel 18, eerste lid, EG-Verdrag een recht van verblijf had.
2.10. In geschil is of verweerder op grond van Rl 2004/38 tot verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring van eiser had mogen overgaan in verband met het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 23 april 2004, waarbij eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar. Voorts is in geschil of verweerder in het besluit in eerste aanleg aan eiser een verkorte vertrektermijn van vierentwintig uur heeft kunnen stellen.
2.11. Onder de door verweerder ingezonden gedingstukken bevindt zich een kopie van eerdergenoemd arrest van het Gerechtshof Amsterdam (rolnummer 23-003137-03). Daaruit blijkt dat eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar wegens:
- het meerdere malen verkopen en vervoeren van cocaïne in de periode 1 oktober 2000 tot en met 13 februari 2003 te Amsterdam;
- het op 13 februari 2003 aanwezig hebben van 29,6 kg cocaïne;
- het meerdere malen opzettelijk mishandelen van zijn zwangere ex-vriendin in de periode van 1 februari 2003 tot 13 februari 2003;
- het op 13 februari 2003 te Amsterdam voorhanden hebben gehad van 24 volmantelpatronen, zijnde munitie in de zin van de Wet wapens en munitie.