3.2. Daartoe voert [A] – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aan.
Partijen hebben op 28 juni 2007 een vaststellingsovereenkomst gesloten, die de mediator in haar e-mail van die datum heeft bevestigd. Partijen zijn onder meer overeengekomen dat zij voor wat betreft (schade)claims met gesloten beurzen uit elkaar gaan en dat [B] het restant van de aanneemsom op zo kort mogelijke termijn aan [A] betaalt.
Uit het door partijen en de mediator in de periode van 28 juni 2007 tot en met 5 oktober 2007 gevoerde e-mailverkeer, waaronder met name drie door [A] als productie 12 overgelegde e-mails van 12 juli 2007, volgt dat [B] zich op basis van de op 28 juni 2007 gesloten vaststellingsovereenkomst verplicht heeft om ten minste een bedrag van € 348.285,41 (inclusief omzetbelasting) aan [A] te betalen. Betaling is echter uitgebleven, wegens betalingsonwil en/of betalingsproblemen. Verder heeft [B], ondanks herhaalde verzoeken van de mediator en [A] nog steeds niet het document ondertekend waarin de vaststellingsovereenkomst (nader) is vastgelegd. Ook in de visie van de mediator staat het [A] daarom vrij om nakoming van de vaststellingsovereenkomst in rechte af te dwingen.
Met een brief van 25 oktober 2007 heeft [A] [B] daarom gesommeerd om aan al haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst te voldoen, waaronder haar verplichting tot betaling aan [A] van het in de bijlage bij die brief genoemde bedrag van € 394.829,50 (te verminderen met bedragen van € 1.282,79 en van € 1.231,-- en te vermeerderen met omzetbelasting, in totaal derhalve € 466.855,69).
De in dit kort geding door [A] ingestelde geldvordering is beperkt tot het hiervoor genoemde bedrag van € 348.285,41. [A] ziet graag dat partijen zich voor het restant van haar geldvordering en voor de overige discussiepunten opnieuw tot de mediator wenden.
In dit kort geding vordert [A] betaling van:
- hetgeen haar onmiskenbaar en onbetwistbaar toekomt, te weten het hiervoor genoemde bedrag van € 348.285,41;
- althans een bedrag van € 346.336,45, welk bedrag wordt genoemd in het contract van 12 juli 2007;
- althans een bedrag van € 336.211,42, dat wordt genoemd in een door [A] in dit kort geding als productie 10a overgelegde document, dat door partijen op 28 juni 2007 voor akkoord is ondertekend;
- althans een bedrag van € 306.336,45, dat [B] heeft erkend verschuldigd te zijn aan [A] (welk bedrag, naar de voorzieningenrechter begrijpt, kennelijk gebaseerd is op een door [A] als productie 11 overgelegde e-mail van 12 juli 2007, waarin echter een bedrag van € 306.204,05 wordt genoemd);
- althans een bedrag van € 271.915,-- (€ 211.500,--, vermeerderd met een bedrag van € 17.000,-- aan rente alsmede omzetbelasting), dat [B] heeft aangeboden aan [A] te betalen in een door [A] als productie 46 overgelegde handgeschreven verklaring van 27 februari 2008 en een door [A] als productie 51 overgelegde e-mail van 6 maart 2008;
- althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te betalen bedrag;
steeds te vermeerderen met de toepasselijke rente.