ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8219
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting binnen redelijke termijn
Eiser, een gedocumenteerde Chinese vreemdeling met een verlopen paspoort, is op 27 maart 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. Na eerdere ongegronde beroepen tegen de bewaring, heeft eiser op 10 juni 2008 opnieuw beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming en om schadevergoeding verzocht.
De rechtbank heeft beoordeeld of er voldoende perspectief bestaat op uitzetting binnen een redelijke termijn en of de bewaring nog gerechtvaardigd is. Verweerder stelde dat er zicht op uitzetting is vanwege lopende diplomatieke overleggen met China, ondanks het feit dat sinds april 2007 geen reisdocumenten aan gedocumenteerde vreemdelingen met verlopen paspoort worden afgegeven.
De rechtbank oordeelt dat het zicht op uitzetting theoretisch is en onvoldoende concreet om voortzetting van de bewaring te rechtvaardigen. De activiteiten van het IOM worden niet als uitzettingshandelingen onder verweerder beschouwd. Gelet hierop wordt de bewaring met ingang van 10 juni 2008 onrechtmatig geacht.
De rechtbank beveelt de opheffing van de bewaring per 1 juli 2008, wijst een schadevergoeding toe van €1470,00 voor de onrechtmatige bewaring over de periode 10 tot en met 30 juni 2008, en veroordeelt verweerder in de proceskosten van €805,00. De Staat der Nederlanden wordt aangewezen als de partij die deze kosten moet vergoeden.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van reëel zicht op uitzetting, met toekenning van schadevergoeding en proceskosten aan eiser.