ECLI:NL:RBSGR:2008:BD8298
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.R. van Es-de Vries
- A.B.M. Hent
- E.H.M. Druijf
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewenstverklaring Afghaanse ex-KhAD officier op grond van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
Eiser, een Afghaanse ex-KhAD officier, werd zijn verblijfsvergunning ingetrokken en ongewenst verklaard op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag wegens ernstige redenen te veronderstellen dat hij betrokken was bij mensenrechtenschendingen. De rechtbank toetste de juistheid van het ambtsbericht van 29 februari 2000, dat de basis vormde voor deze conclusie, en verwierp de door eiser ingebrachte brieven als onvoldoende concreet om twijfel te rechtvaardigen.
De rechtbank bevestigde dat eiser als officier van de KhAD persoonlijk en wetens betrokken was bij schendingen van mensenrechten, gelet op de aard van de organisatie en zijn positie. De belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro, waarbij het gezinsleven van eiser werd afgewogen tegen de belangen van de openbare orde en internationale betrekkingen, werd als zorgvuldig en proportioneel beoordeeld.
Hoewel eiser aanvoerde dat zijn kinderen gehoord hadden moeten worden en dat de belangenafweging onvoldoende was, oordeelde de rechtbank dat de belangen van de staat zwaarder wegen en dat ouders adequaat de belangen van hun minderjarige kinderen hebben vertegenwoordigd. Het beroep werd ongegrond verklaard en de ongewenstverklaring gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de ongewenstverklaring gehandhaafd.