ECLI:NL:RBSGR:2008:BD9243
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.J. van den Bergh
- Rechtspraak.nl
Afwijzing immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke beslistermijn
Eiser vorderde immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke beslistermijn in een complexe schadekwestie over de gedwongen verkoop van zijn woning in 1983. Na eerdere procedures over wettelijke rente werd het verzoek om schadevergoeding in 2006 afgewezen. Eiser stelde dat de redelijke termijn moest worden berekend vanaf het oorspronkelijke verzoek in 2001, verwijzend naar het Pizzati-arrest van het EHRM.
De rechtbank overwoog dat de redelijke beslistermijn volgens jurisprudentie begint te lopen vanaf het moment van het indienen van het bezwaarschrift, tenzij sprake is van opzettelijke vertraging door het bestuursorgaan. In deze zaak was geen sprake van opzet, maar van een ingewikkelde zaak en parallel lopende procedures. Ook had eiser zelf vertraging veroorzaakt door late beantwoording van vragen.
De rechtbank concludeerde dat de periode tussen het bezwaar van 29 maart 2006 en de beslissing op bezwaar van 7 september 2006 als redelijk kan worden beschouwd. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en is geen immateriële schadevergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke beslistermijn is ongegrond verklaard.