ECLI:NL:RBSGR:2008:BE8783
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling Nederlanderschap derde generatie postnataal erkende kinderen
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde het verzoek van ouders om vast te stellen dat hun minderjarige kinderen, geboren in Nederland uit een buitenechtelijke relatie, van rechtswege de Nederlandse nationaliteit bezitten op grond van artikel 3 lid 3 en Pro artikel 4 lid 1 van Pro de oude Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
De Staat betwistte het verzoek met het formele verweer dat de vader niet bevoegd was tot vertegenwoordiging en inhoudelijk dat de vader pas na geboorte de kinderen erkende, waardoor zij niet van rechtswege Nederlander zouden zijn. De rechtbank verwierp het formele verweer en oordeelde dat de vader als feitelijke en juridische vader ontvankelijk was.
De rechtbank volgde de redenering van prof. De Groot en concludeerde dat de kinderen, als derde generatie in Nederland wonende vreemdelingen, de Nederlandse nationaliteit behoren te verkrijgen. De erkenning na geboorte heeft geen terugwerkende kracht, maar leidt wel tot verkrijging van het Nederlanderschap vanaf de erkenningsdatum.
De rechtbank stelde vast dat de kinderen vanaf 12 november 2002 van rechtswege Nederlander zijn, en verwierp het standpunt van de Staat dat een absoluut onderscheid tussen prenataal en postnataal erkende kinderen zou gelden. De uitspraak is gedaan in het belang van het gezinsverband en de sterke band met Nederland.
Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat de kinderen vanaf de erkenningsdatum in 2002 van rechtswege de Nederlandse nationaliteit bezitten.