ECLI:NL:RBSGR:2008:BE8785
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot vaststelling Nederlandse nationaliteit na postnatale erkenning minderjarige
Verzoekster heeft de rechtbank verzocht vast te stellen dat haar minderjarige dochter sinds erkenning door haar vader de Nederlandse nationaliteit bezit. De dochter was bij geboorte niet automatisch Nederlander omdat de vader ten tijde van de geboorte nog geen familierechtelijke betrekking had met het kind en de moeder geen Nederlandse nationaliteit had.
De rechtbank oordeelt dat het onderscheid tussen prenatale en postnatale erkenning niet discriminerend is en in lijn met de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De erkenner had de mogelijkheid om het kind voor de geboorte te erkennen, maar heeft dit pas twee jaar later gedaan.
De Staat betwist dat de erkenner ongehuwd was ten tijde van de erkenning en beroept zich op artikel 1:204 lid 1 BW Pro dat erkenning door een gehuwde man nietig kan zijn. Daarom wordt de zaak aangehouden om de Staat in de gelegenheid te stellen bewijsstukken over te leggen over de huwelijkse staat van de erkenner op het moment van erkenning.
Indien de erkenning rechtsgeldig blijkt, moet nog gerechtelijk bewijs worden geleverd van het biologische vaderschap, waarvoor een DNA-onderzoek wordt voorgesteld. De rechtbank wijst erop dat de wetgeving omtrent postnatale erkenning complex is en aan verandering onderhevig.
De rechtbank zal na ontvangst van de gevraagde bewijsstukken de verdere procedure bepalen.
Uitkomst: De rechtbank houdt de zaak aan om de Staat bewijs te laten leveren over de huwelijkse staat van de erkenner ten tijde van erkenning.