ECLI:NL:RBSGR:2008:BE8994

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
19 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
288020 - HA ZA 07-1668
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P.A. Koppen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 111 RvArt. 4 Uitvoeringswet EG-executieverordeningArt. 43 EG-executieverordeningArt. 57 EEX-verordeningArt. 69 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing en intrekking verlof tot tenuitvoerlegging Duitse notariële akte betwist

De eiser vordert de schorsing van de executie en intrekking van het verleende verlof tot tenuitvoerlegging van een Duitse notariële akte, waarin hij een schuld erkent op grond van een consultancy-overeenkomst ('Beratervertrag'). Hij betwist de geldigheid van de akte en stelt dat de notariële akte niet uitvoerbaar is in Duitsland vanwege een niet bestaande rechtsverhouding en ontbrekende toestemming van zijn echtgenote.

De gedaagde voert verweer tegen deze stellingen. De rechtbank wijst het beroep op nietigheid van de dagvaarding af en oordeelt dat de procedure onterecht bij dagvaarding is ingeleid, maar beveelt voortzetting als verzoekschriftprocedure. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan en wijst erop dat tegen deze beslissing geen hoger beroep openstaat.

De procedure wordt voortgezet zonder dat verbetering of aanvulling van het inleidend stuk nodig is. Partijen kunnen aangeven of zij een nieuwe mondelinge behandeling wensen. De rechtbank acht de proceskostenveroordeling aan de orde na verdere behandeling van de zaak.

Uitkomst: De rechtbank beveelt voortzetting van de procedure als verzoekschriftprocedure en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 288020 / HA ZA 07-1668
Vonnis van 19 maart 2008
in de zaak van
[eiser]
[woonplaats]
eiser,
procureur mr. M. Tsoutsanis,
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats A.], Duitsland,
gedaagde,
procureur mr. W. Heemskerk.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 mei 2007;
- de conclusie van antwoord;
- het tussenvonnis van 25 juli 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast;
- het proces-verbaal van comparitie van 30 november 2007.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. Geen acht is geslagen op de nagekomen brieven van de advocaten van partijen d.d. 15 januari 2008 namens [eiser] en 8 februari 2008 namens [gedaagde].
2. De feiten
2.1. Bij beslissing van 22 januari 2007 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank aan [gedaagde] op diens verzoek verlof verleend tot tenuitvoerlegging van een in afschrift bijgevoegde Duitse notariële akte, die op 4 juli 2002 is opgemaakt door Hannelore Messer, notaris te [plaats in Duitsland]. Daarin verklaart [eiser] een bedrag van € 150.000,- in hoofdsom aan [gedaagde] schuldig te zijn op grond van het ‘Beratervertrag’ van 4 juli 2002.
2.2. Bij deurwaardersexploit van 5 april 2007 heeft [gedaagde] aan [eiser] een bevel tot betaling gedaan uit hoofde van de notariële akte en het verlof tot tenuitvoerlegging.
2.3. Bij ‘Nachtragsvermerk’ van 4 juni 2007 heeft notaris Messer de datum van het ‘Beratervertrag’ in de notariële akte gecorrigeerd in 30 juni 2002.
3. Het geschil
3. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen:
primair:
dat de executie van de tenuitvoerlegging dient te worden geschorst en dat het verleende verlof tot tenuitvoerlegging dient te worden ingetrokken;
subsidiair:
dat de executie van de tenuitvoerlegging dient te worden geschorst en dat het verleende verlof tot tenuitvoerlegging dient te worden ingetrokken, onder bepaling van een redelijke termijn waarbinnen [eiser] een procedure aanhangig moet hebben gemaakt in Duitsland strekkende tot ongeldigverklaring van de notariële akte;
meer subsidiair:
dat in deze zaak de uitspraak wordt aangehouden totdat [eiser] bij de daartoe bevoegde instantie in Duitsland de notariële akte ongeldig heeft laten verklaren, onder bepaling van een redelijke termijn waarbinnen [eiser] een procedure aanhangig moet hebben gemaakt in Duitsland strekkende tot ongeldigverklaring van de notariële akte en te bepalen dat de executie van de tenuitvoerlegging dient te worden geschorst totdat de daartoe bevoegde instantie in Duitsland onherroepelijk heeft beslist dat de notariële akte waarvoor verlof tot uitvoerbaarverklaring is verstrekt, ongeldig is;
primair, subsidiair en meer subsidiair:
een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2. Aan deze vorderingen heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat het (waarschijnlijk bedoelde) ‘Beratervertrag’ d.d. 30 juni 2002 is gesloten tussen de Duitse firma Blumen- und Pflanzengroßhandel Dubeco GmbH enerzijds en [gedaagde] anderzijds, dat de notariële akte daarom een nietige rechtshandeling bevat en dat in het verzoekschrift waarop de voorzieningenrechter zijn verlof heeft gebaseerd, ten onrechte is gesproken van een geldlening in plaats van de met de notariële akte beoogde zekerheidsstelling voor de nakoming van de verplichtingen uit het ‘Beratervertrag’ (de consultancy-overeenkomst). Voorts stelt [eiser] dat de notariële akte niet uitvoerbaar is in Duitsland, omdat deze berust op een niet bestaande rechtsverhouding en omdat de naar Duits recht vereiste toestemming voor het aangaan van een hoofdelijke verbintenis ten laste van het gemeenschappelijke huwelijksvermogen door de echtgenote van [eiser] niet is verleend. Het ‘Beratervertrag’ maakt geen onderdeel uit van de notariële akte, is niet als productie bij het verzoekschrift aan de voorzieningenrechter voorgelegd en is ook niet meebetekend aan [eiser], hetgeen volgens hem een inbreuk vormt op de goede procesorde en het beginsel van ‘fair trial’ dat is neergelegd in artikel 6 van Pro het EVRM. Op al deze gronden is de executie in strijd met de openbare orde in de zin van artikel 57 van Pro de EEX-verordening, aldus [eiser].
3.3. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer.
4. De beoordeling
4.1. Het door [gedaagde] gedane beroep op nietigheid van de dagvaarding wordt verworpen. Weliswaar heeft [eiser] verzuimd woonplaats te kiezen in de gemeente Den Haag en daarmede, nu zijn procureur kantoor houdt in Leiden, inbreuk gemaakt op de bepaling van artikel 111, tweede lid, aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), maar door de schending van dit – met het oog op een eenvoudige wijze van stukken¬wisseling tussen rechtbank en eisende partij opgenomen – voorschrift is [gedaagde] niet in zijn belang geschaad.
4.2. [gedaagde] doet ook een beroep op niet-ontvankelijkheid van [eiser], op de grond dat het door hem ingestelde rechtsmiddel bij verzoekschrift ingeleid had behoren te worden.
Daaromtrent overweegt de rechtbank als volgt.
Tot 1 mei 2006 bepaalde artikel 4, tweede lid, van de Uitvoeringswet EG-executie¬verordening onder meer dat het in artikel 43, eerste lid, van de EG-executieverordening bedoelde rechtsmiddel diende te worden ingesteld en behandeld met toepassing van de regels voor de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg. Met ingang van die datum is deze bepaling echter komen te vervallen. Daardoor zijn – zie de toelichting bij artikel 29 van Pro het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming (kamerstukken II, 29 980, nr. 3) – de regels van de verzoekschriftprocedure van toepassing geworden. Weliswaar heeft [gedaagde] dus terecht aangevoerd dat de procedure ten onrechte bij dagvaarding is ingeleid, maar tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] leidt dit niet. Artikel 69, tweede lid, Rv bepaalt immers voor een geval als het onderhavige dat de rechter voortzetting beveelt volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure, nadat op grond van het eerste lid zo nodig de mogelijkheid is geboden het inleidend processtuk te verbeteren of aan te vullen.
4.3. De rechtbank zal bevelen dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt wordt voortgezet als verzoekschriftprocedure. Verbetering of aanvulling van het inleidend processtuk is in dit geval niet nodig. De conclusie van antwoord wordt als verweerschrift aangemerkt. Partijen zullen zich bij brief nog kunnen uitlaten over de vraag of zij in het kader van de verzoekschriftprocedure een nieuwe mondelinge behandeling wensen. Indien dat niet het geval is, zal de gehouden comparitie na antwoord als zodanig gelden.
4.4. Voor de goede orde wordt erop gewezen dat tegen deze beslissing ingevolge artikel 69, vijfde lid, Rv geen hogere voorziening openstaat.
5. De beslissing
De rechtbank:
- beveelt dat deze procedure in de stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels van de verzoekschriftprocedure;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2008