ECLI:NL:RBSGR:2008:BE9675
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.F.M. Hofhuis
- E.M. Valk
- E.C. van Veen
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid inhoudelijke kennisneming van advocaat-verdachte tapgesprekken door betrokken opsporingsambtenaren en officieren van justitie
De Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten (NVSA) vordert dat de rechtbank verklaart dat het stelselmatig inhoudelijk kennisnemen van telefoongesprekken tussen een verdachte en een advocaat door opsporingsambtenaren en officieren van justitie in strijd is met artikel 126aa Sv, het verschoningsrecht en de artikelen 6 en 8 EVRM. De NVSA stelt dat deze praktijk het vertrouwelijke karakter van het beroepsgeheim aantast en dat de kennisneming door betrokken opsporingsambtenaren en de behandelende officier van justitie onrechtmatig is.
De rechtbank beoordeelt dat artikel 126aa Sv het afluisteren en uitwerken van gesprekken niet uitsluit, maar regelt dat gesprekken met advocaten die onder het verschoningsrecht vallen vernietigd moeten worden. De rechtbank oordeelt dat het verschoningsrecht niet onbegrensd is, maar dat de inhoudelijke kennisneming door betrokken opsporingsambtenaren en de zaaksofficier strijdig is met de ratio van het verschoningsrecht, omdat deze kennisneming oncontroleerbaar invloed kan hebben op het strafrechtelijk onderzoek.
De rechtbank verklaart de Instructie 2006 onrechtmatig voor zover deze inhoudelijke kennisneming door betrokken opsporingsambtenaren en officieren van justitie voorschrijft en verklaart dat de Staat onrechtmatig handelt door deze praktijk. De Staat wordt bevolen binnen drie maanden maatregelen te nemen om te voorkomen dat deze kennisneming nog langer door deze personen plaatsvindt. De overige vorderingen worden afgewezen en de kosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de inhoudelijke kennisneming van tapgesprekken door betrokken opsporingsambtenaren en officieren van justitie onrechtmatig en beveelt de Staat binnen drie maanden maatregelen te nemen om dit te voorkomen.