ECLI:NL:RBSGR:2008:BF0134
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren bewaring vreemdeling met zicht op uitzetting naar Centraal-Irak
De zaak betreft het beroep van een Iraakse vreemdeling tegen het voortduren van zijn bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring werd op 26 juni 2008 opgelegd en duurde voort tot de datum van uitspraak. Eiser vorderde opheffing van de bewaring en schadevergoeding, stellende dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde en dat er slechts een theoretische kans op uitzetting bestond.
De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld en geconcludeerd dat de bewaring rechtmatig was en dat het voortduren daarvan gerechtvaardigd is. Verweerder heeft toegelicht dat er zicht is op uitzetting naar Centraal-Irak, ondanks dat de Iraakse autoriteiten geen laissez passer afgeven bij onvrijwillige terugkeer. De uitzetting vindt plaats via een EU-staat, waarbij de Iraakse autoriteiten op de hoogte zijn en geen bezwaar maken. Er hebben in 2008 reeds gedwongen uitzettingen plaatsgevonden, en eiser staat op de derde plaats op de lijst van te verwijderen personen.
Hoewel verweerder de informatie over het zicht op uitzetting pas ter zitting heeft verstrekt, acht de rechtbank dit geen reden om de bewaring op te heffen. Eiser en zijn gemachtigde waren niet aanwezig om hierop te reageren. De rechtbank neemt de verstrekte informatie als juist aan en concludeert dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de bewaring wordt ongegrond verklaard vanwege voldoende zicht op uitzetting naar Centraal-Irak.